Keltisch-Germaans taalcontact in de voorgeschiedenis

From Kelten
k-jaarboek-2020-sluis-historische-taalkunde-germaans-keltisch-continentaal-keltisch

Gepubliceerd: 12 oktober 2021
Keltisch-Germaans taalcontact in de voorgeschiedenis
Paulus van Sluis
Title (EN): Celtic-Germanic language contact in prehistory
Abstract (EN):

Uniquely shared words between Celtic and Germanic languages may serve to indicate prehistoric language contact. This article deals with a number of these words and identifies several semantic spheres of lexical exchange, such as kingship, farming, warfare, and metallurgy. Moreover, this article showcases the methodology used to identify the relative order in which words were exchanged in prehistory, and subsequently identifies multiple stages of contact between Celtic and Germanic speakers. The various semantic spheres can be related to corresponding archaeological phenomena: e.g. the exchange of haymaking vocabulary can be related to changes in the archaeobotanical record in the Iron Age, kingship vocabulary may be related to the advent of opulent graves in Central Europe during the Late Bronze Age, and metallurgical vocabulary may be related to the dawn of the Iron Age in North-Central Europe. Moreover, such references to the archaeological record allow us to assign rough absolute dates to some of the key sound changes leading up to Proto-Celtic and Proto-Germanic.

Wanneer een taal veel woorden gemeen heeft met een andere taal, dan weten we dat de talen een gedeelde geschiedenis hebben. Misschien stammen ze af van dezelfde taal, of misschien hebben ze woorden van elkaar ontleend. Zo delen het Nederlands en het Welsh het Proto-Indo-Europees als oertaal. Deze verwantschap is nog steeds te zien door te tellen: un, dau, tri lijken nog steeds op één, twee, drie. Uit leenwoorden kunnen we taalcontact herleiden. Het Welsh heeft bijvoorbeeld veel Latijnse leenwoorden, zoals pont ‘brug’, llyfr ‘boek’ en eglwys ‘kerk’.[1]n. 1 Respectievelijk uit (vormen van) de Latijnse woorden pons, liber en ecclesia, waarvan het laatste zelf weer een leenwoord uit het Grieks is. Hieruit kunnen we afleiden dat vroege sprekers van het Welsh in contact stonden met sprekers van het Latijn. Dit weten we uiteraard uit de geschiedenis, maar ook op basis van het latere Welsh kunnen we dit contact reconstrueren. Ook de betekenis van de ontleende woorden doet ertoe. We zien Latijnse woorden voor gebouwen en voor dingen die met het Christendom te maken hebben; hieruit kunnen we afleiden dat de Romeinen nieuwe bouwtechnieken en een nieuw geloof introduceerden toen ze Brittannië bestuurden. Wederom weten we dit uit de geschiedenis, maar we kunnen het ook uit latere taal herleiden.

Een vergelijkbare gedeelde geschiedenis zien we tussen het Keltisch en het Germaans. Beide taalfamilies stammen af van het Proto-Indo-Europees en sinds het begin van de geschreven geschiedenis woonden Kelten en Germanen in Noordwest-Europa. Romeinse bronnen vertellen bijvoorbeeld over Germaanse stammen met leiders met een Keltische naam en later leidden de Angelsaksische invasies van Brittannië tot Keltisch-Germaans taalcontact dat tot de dag van vandaag voortduurt. We weten alleen niet wat er daarvóór gebeurde, in de periode tussen het uiteenvallen van het Proto-Indo-Europees en de eerste geschreven bronnen. Zijn Kelten en Germanen als één groep vanuit de Proto-Indo-Europese bakermat verhuisd naar Noordwest-Europa, of waren dit aparte migraties? En hoelang zaten Kelten en Germanen al bij elkaar vóór de geschreven geschiedenis? En wat voor concepten en technieken wisselden ze uit in deze periode? Het is mogelijk om hier een beeld van te vormen door te kijken welke woorden in het Keltisch en Germaans voorkomen, maar in geen enkele andere Indo-Europese taal.

De Keltisch-Germaanse woordenschat

Over deze woorden is vaak en uitvoerig geschreven.[2]n. 2 Enkele voorbeelden van eerdere artikelen zijn: Lane, Geo. S., ‘The Germano-Celtic vocabulary’, Language 9, nr. 3 (1933) 244–64; Polomé, Edgar C., ‘Celto-Germanic isoglosses (revisited)’, Journal of Indo-European Studies 11, nr. 3 & 4 (1983) 281–98; Hyllested, Adam, ‘The precursors of Celtic and Germanic’, in Jamison, Stephanie e.a. (red.), Proceedings of the 21st Annual UCLA Indo-European Conference: Los Angeles, October 30th and 31st, 2009 (Bremen 2010) 107–28. Al in 1894 schetste Henri d’Arbois de Jubainville een beeld van de vroege Germanen als onderdanen van de Kelten.[3]n. 3 D’Arbois de Jubainville, Henri, Les premiers habitants de l’Europe d’après les écrivains de l’antiquité et les travaux des linguistes, vol. 2 (Paris 1894).  De gedeelde institutionele woordenschat levert hiervoor bewijs. Zo zijn woorden voor ‘koning’, ‘nar’, ‘dienaar’ en ‘eed’ ontleend. Vergelijk Oudiers rí ‘koning’, drúth ‘nar’ en Gallisch ambactus ‘vazal’ met Gotisch reiks ‘koning’, Oudnoors trúðr ‘jongleur’ en Nederlands 'ambacht'. Verder zijn oorlog, metaalbewerking en wapens goed vertegenwoordigd: het Gotische brunjo ‘borstplaat’ en Oudnoorse brynja ‘maliënkolder’ lijken ontleend aan een voorloper van het Oudierse bruinne ‘borst’. Hetzelfde geldt voor Nederlands 'ijzer', van een voorloper van Oudiers ïarn, en voor lood, van een voorloper van lúaide.

Ook zijn Germaanse woorden in het Keltisch beland. Een voorbeeld is Welsh crwm, Iers crom ‘gebogen’, dat is ontleend aan een voorloper van Nederlands 'krom'; we weten dat dit woord van oorsprong Germaans is omdat het afgeleid is van 'krimpen'. Soms weten we dat een woord een Germaanse oorsprong heeft op basis van klankveranderingen. Zo zijn Oudengels gār en Oudnoors geirr ‘(werp)speer’ verwant aan Sanskriet heṣá- ‘projectiel’ en gaan ze terug naar een Proto-Indo-Europees *ǵʰoisó-. In het Germaans, maar niet in het Keltisch, verandert een Proto-Indo-Europese *o in *a, maar Oudiers gae en Welsh gwayw ‘(werp)speer’ gaan toch terug op een vorm met *a. De beste manier om die *a in het Keltisch te verklaren is om een leenwoord uit het Germaans aan te nemen.

Woorden voor landschapsfenomenen en uit het boerenleven blijken ook goed vertegenwoordigd in het Keltisch-Germaanse lexicon, al weten we vaak niet wat de richting van ontlening is. Zo komen de Nederlandse woorden 'horst', 'heg', 'tuin', 'duin' en 'tas' (in de betekenis ‘stapel’) ook in het Keltisch voor: bijvoorbeeld in het Welshe prysg ‘horst’, cae ‘heg’, din ‘verdedigde heuvel’ en das ‘hooiberg’. Verder zijn er woorden voor verschillende planten- en dierensoorten. Een gedeeld woord voor ‘paard’ vinden we in Iers marc en Welsh march, cognaat met bijvoorbeeld Oudengels mearh ‘paard’. In het huidige Nederlands vinden we dit woord alleen terug in de afleiding 'merrie' en de samenstelling 'maarschalk', dat oorspronkelijk ‘paardenknecht’ betekende. Bij het Ierse boc en Welshe bwch ‘bok’ is de oorsprong wel bekend: dit woord is van oorsprong Germaans.

Stratificatie

Door nauwkeurig te kijken welke klankveranderingen in een woord hebben plaatsgevonden is het mogelijk om niet alleen de richting van ontlening te achterhalen zoals bij het woord voor ‘speer’, maar ook de periode. Zo verdwijnt bijvoorbeeld de Indo-Europese *p- in Keltische talen. In het Germaans trad de wet van Grimm op, waarbij stemloze stopklanken (p, t, k) wrijfklanken (f, th, ch) werden. Een voorbeeld dat zowel de Keltische en Germaanse veranderingen illustreert is het woord voor ‘vader’: de oorspronkelijke stopklanken zijn te zien in het Latijnse pater, de p gaat verloren in het Ierse athair en in het Engelse father zijn de stopklanken wrijfklanken geworden. Sommige woorden maken zowel Keltische als Germaanse klankveranderingen door. Het verdwijnen van die *p- in het Keltisch is bijvoorbeeld zichtbaar in het Welshe lledr en het Ierse leathar ‘leder’, die teruggaan op Proto-Keltisch *letro-. Omdat dit woord verwant lijkt aan Latijn pellis ‘huid’ en aan het Nederlandse vel, moet hier een oude *p verloren gegaan zijn. Dit 'leer'-woord is vanuit het Keltisch in het Germaans terechtgekomen: vergelijk Engels leather en Nederlands leder. De Keltische woorden gaan terug op de stopklank *t in het midden van het woord, maar de Germaanse woorden gaan terug op de wrijfklank *th die we nog steeds horen in het Engelse leather. Hieruit kunnen we afleiden dat het Germaanse woord is ontleend aan het Keltisch nadat de Keltische *p- verloren ging, maar vóór de Germaanse wet van Grimm.

Andere typisch Keltisch-Germaanse woorden laten wel een spoor van de oude *p- zien in het Germaans, zoals Welsh llawr en Engels floor. Hier is in het Keltisch de *p- ook verloren gegaan, maar is in het Germaans de stopklank *p- veranderd in de wrijfklank f. Als dit woord tegelijk met leather aan het Keltisch ontleend zou zijn, dan zou dit een niet bestaand loor opleveren. Het feit dat de f er nog is laat zien dat het eerder dan leather uitgewisseld moet zijn. Het Gallo-Latijnse brācae ‘broek’ levert bewijs voor een oud Keltisch woord dat in het Germaans is terechtgekomen, bijvoorbeeld in het Nederlandse 'broek'; bij 'broek' zien we dat de stopklank k geen wrijfklank ch is geworden onder de wet van Grimm. Hieruit kunnen we afleiden dat 'broek' later is ontleend dan 'leder'.

Door per woord na te gaan wanneer het uitgewisseld kan zijn is het dus mogelijk om te ontdekken in welke volgorde de woorden zijn uitgewisseld en de verschillende klankveranderingen plaatsvonden. Hier blijkt dat de klankveranderingen die leidden tot het Proto-Keltisch, de gemeenschappelijke voorouder van alle Keltische talen, eerder plaatsvonden dan bijvoorbeeld de wet van Grimm. Door alle woorden in chronologische volgorde van uitwisseling te plaatsen ontstaan er patronen. Zo blijkt dat woorden voor metalen en wapens bijna allemaal pas werden uitgewisseld na de Germaanse klankverschuivingen zoals de wet van Grimm. Woorden voor ‘heg’, ‘leer’ en ‘koning’ zijn iets eerder ontleend. Bij deze woorden zien we duidelijk Keltische ontwikkelingen, maar ook de Germaanse klankverschuivingen. Nóg eerder uitgewisselde woorden zijn woorden waarin noch Keltische, noch Germaanse ontwikkelingen vóór ontlening zichtbaar zijn.

Een voorbeeld van dat laatste is het eerder genoemde 'vloer'-woord. Van deze vroegst uitgewisselde woorden is het vaak lastiger te zeggen of ze wel echt werden ontleend. Het kunnen ook archaïsmen zijn, wat betekent dat de woorden al in het Proto-Indo-Europees voorkwamen en toevallig zijn verdwenen uit andere Indo-Europese talen. Eén manier om die vroegste ontleningen toch te onderscheiden van de archaïsmen, is door te kijken of die opgebouwd zijn uit Indo-Europese bouwstenen. Zo is het 'vloer'-woord opgebouwd uit allemaal Proto-Indo-Europese elementen, maar de combinatie van de elementen *pleh₂-ro- is typisch Keltisch-Germaans. Wellicht is deze combinatie toevallig uit andere Indo-Europese talen verdwenen en daarom levert dit woord minder stellig bewijs voor specifiek Keltisch-Germaans taalcontact.

Toch is er één Indo-Europees woord dat voorafgaat aan alle Germaanse en Keltische klankveranderingen, maar toch geen elders verloren archaïsme kan zijn: het woord 'vrij'. Dit woord is verwant aan Welsh rhydd ‘vrij’ en de correspondentie tussen een Germaanse f en niets in het Keltisch laat zien dat het woord is ontleend vóór de *p- verdween in het Keltisch en dus vóór ontlening van woorden als 'leder'. De reden dat dit woord geen archaïsme kan zijn is de betekenis. In andere Indo-Europese talen betekent ditzelfde woord namelijk ‘lief’, bijvoorbeeld Sanskriet priyá-. Deze eerdere betekenis bestaat nog steeds in de verwante Nederlandse woorden 'vrijen' en 'vriend'. Behalve in het 'vrij'-woord zelf heeft het Germaans dus geen betekenisverandering van ‘lief’ naar ‘vrij’ ondergaan, maar in het Keltisch is er juist geen spoor van de oorspronkelijke betekenis ‘lief’. Het Germaans moet dus vanwege de betekenis al vóór het Proto-Keltisch, maar ná het uiteenvallen van het Proto-Indo-Europees, het woord 'vrij' van het Keltisch hebben overgenomen. 

Andere woorden zijn niet te analyseren als Indo-Europees. Zo kunnen Iers cuilenn, Welsh celyn, Bretons kelenn, Oudhoogduits hulis en Middelnederlands huls ‘hulst’ teruggaan op respectievelijk *kolis-no- en *kuliso-. Het woord lijkt ontleend vóór alle klankveranderingen tussen het Proto-Indo-Europees en het Keltisch of Germaans, maar het is net niet mogelijk om één gedeelde vorm te reconstrueren: het Keltisch lijkt terug te gaan op een *o in de eerste lettergreep en het Germaans op een *u. Sowieso lijkt de vorm niet afgeleid van een Proto-Indo-Europese wortel. Een verklaring hiervoor is dat de Indo-Europese volken die naar Noordwest-Europa verhuisden met eerdere niet-Indo-Europeestalige volken in aanraking kwamen en dit 'hulst'-woord van hen overnamen.[4]n. 4 Voor meer informatie over hoe we vroege niet-Indo-Europese leenwoorden kunnen herkennen, zie Schrijver, Peter C.H., ‘Animal, vegetable and mineral: some Western European substratum words’, in Lubotsky, Alexander (red.), Sound law and analogy, Leiden Studies in Indo-European 9 (Amsterdam 1997) 293–314. Verder bewijs voor dit scenario komt van de verspreiding van de boom zelf. De hulst komt voornamelijk voor in West-Europa, maar niet in Oost-Europa.

Huidig verspreidingsgebied van de hulst. (bron: Giovanni Caudullo, Erik Welk, en Jesús San-Miguel-Avanz, 'Chronological Maps for the Main European Woody Species', Data in Brief 12 (2017): 662-66.

De heersende opvatting is dat het Proto-Indo-Europees van origine werd gesproken in de Oekraïense en Russische steppe. Dit oostelijke volk had uiteraard geen woord voor een westelijke bomensoort, dus moesten ze ofwel een woord verzinnen, ofwel een woord overnemen. Dit vermoeden dat het 'hulst'-woord ontleend is aan een niet-Indo-Europese taal, de vroege ontlening aan het Keltisch en het Germaans en de westelijke verspreiding van de boomsoort impliceren dat zowel de Kelten als de Germanen al vroeg naar het westen waren getrokken. Kelten en Germanen kunnen dus niet pas vlak voor de geschreven geschiedenis van de steppe verhuisd zijn naar waar ze in de klassieke oudheid zaten.

Kelten en Germanen in contact: hoe, waar en wanneer?

Het 'hulst'-woord illustreert dat woorden kunnen verwijzen naar zaken die alleen in een bepaalde plaats, een bepaalde tijd of in een bepaalde samenleving voorkomen. Door zulke woorden uit het Keltisch-Germaanse lexicon met de nieuwste archeologische inzichten te combineren is het mogelijk om nauwkeuriger te achterhalen waar en wanneer Kelten en Germanen in contact stonden en wat voor contact ze dan hadden.

De meest voor de hand liggende woorden om met de archeologie te vergelijken zijn de metaaltermen. Uitvindingen in metaalbewerking zijn zó zichtbaar in de archeologie dat we onze voorgeschiedenis zelfs opdelen in steentijd, bronstijd en ijzertijd. Aan de hand van woorden voor ‘ijzer’ en ‘borstplaat’ is taalcontact in de ijzertijd hard te maken. Dit is niet heel verrassend, want de ijzertijd bereikte Noordwest-Europa slechts enkele eeuwen voor de eerste geschreven bronnen. In de archeologie zien we specifiek Keltische invloed op vermoedelijk Germaanstalige volken terug in de zogenaamde Schmiedegräber: in Noord-Duitsland vinden we in de laatste eeuwen voor Christus graven met ijzererts en smedengereedschap in de stijl van de zuidelijker gelegen La Tène-cultuur, waarvan we vermoeden dat die Keltischtalig was.[5]n. 5 Brumlich, Markolf, ‘Schmiedegräber der älteren vorrömischen Eisenzeit in Norddeutschland’, Norddeutschland 46 (2005) 189–220. Deze woorden zijn in de regel ontleend ná de wet van Grimm. Dit suggereert dat de wet van Grimm voltrokken was vóór de Keltische invloed op Germaanse metaalbewerking.

De Keltisch-Germaanse woorden bieden ook inzicht in landbouwinnovaties. Een belangrijke innovatie is hooibouw: we vinden woorden voor ‘hooiberg’ en ‘vork’ in de gedeelde woordenschat. Hooien maakt het mogelijk om meer vee te houden per eenheid landbouwgrond. Zonder hooi vormt de winter een knelpunt voor het formaat van een veestapel, want in dit jaargetijde groeit het minste gras en dus zal een te grote kudde in de winter verhongeren. Door te hooien wordt het mogelijk om in de zomer gras apart te zetten voor de winter. Om hooi te maken is het wel nodig om een veld af te sluiten zodat vee er niet komt voordat het tijd is om te maaien. Het bestaan van Keltisch-Germaanse woorden voor ‘heg’ levert daarom verder bewijs dat Kelten en Germanen hooibouwtechnieken uitwisselden. Het is mogelijk om het begin van hooibouw te dateren met fossiele plantenresten en pollenanalyse: bepaalde plantensoorten gedijen bij een periode van rust voordat het hele veld gemaaid wordt. In de ijzertijd blijkt dat resten en pollen van zulke planten ineens veel meer voorkomen.[6]n. 6 Hodgson, J. G., e.a., ‘Functional interpretation of archaeobotanical data: making hay in the archaeological record’, Vegetation History and Archaeobotany 8, nr. 4 (1999) 261–71. Ander archeologisch bewijs voor hooibouw bestaat uit heggen en muren die in de late bronstijd gangbaarder werden. De woorden voor hooibergen, omheiningen en dergelijke zijn soms vóór, en soms ná de wet van Grimm uitgewisseld. Deze woorden leveren dus bewijs voor Keltisch-Germaans taalcontact in de late bronstijd en ijzertijd.

Om hooi te maken is het niet alleen nodig om eigen vee of wilde dieren van het maaiveld weg te houden, maar ook het vee van de buren moet wegblijven. Het is dus nodig om met anderen af te spreken welk stuk grond van wie is en zulke afspraken moeten gehandhaafd worden. Hooibouw gaat dus samen met grondbezit en daarmee komt een tweedeling tussen grootgrondbezitters en landlozen, tussen arm en rijk. De uitvinding van hooibouw moet dus gepaard zijn gegaan met ontwikkelingen in de machtsstructuren en rechtspraak. Hier komen dus de eerder genoemde woorden voor ‘koning’, ‘nar’ en ‘eed’ terug, maar ook de gedeelde juridische betekenis van het Oudierse woord recht ‘recht’ en het Nederlandse 'recht' is Keltisch-Germaans. Wederom biedt de late bronstijd een archeologische parallel: vanaf de vroege Hallstattcultuur in het Alpengebied vinden we de zogenaamde Fürstengräber, graven met wapens, sieraden en zelfs hele strijdwagens.[7]n. 7 Van der Vaart-Verschoof, Sasja, Fragmenting the chieftain: a practice-based study of early iron age Hallstatt C elite burials in the Low Countries, Papers on archaeology of the Leiden Museum of Antiquities 15A (Leiden 2017) 17. Een voorbeeld van zo’n graf in Nederland is het vorstengraf in Oss. En net als de Schmiedegräber bereiken deze graven ook Noord-Duitsland. Veel woorden in deze categorie zijn duidelijk Keltisch in oorsprong, maar ontlening is goeddeels vóór de wet van Grimm te dateren.

Nóg verder terug in de tijd wordt het bewijs lastiger te interpreteren. Mogelijke Indo-Europese archaïsmen zoals het 'vloer'-woord zijn lastig te interpreteren omdat ze toevallig verloren kunnen zijn gegaan in andere talen. Veel van de woorden die overblijven zijn termen voor het landschap en flora en fauna van West-Europa. Het eerder genoemde 'hulst'-woord is hier een voorbeeld van, maar dit woord lijkt eerder overgenomen te zijn van een niet-Indo-Europese taal. Dit woord toont daarom aan dat Kelten en Germanen in dezelfde regio zaten met hetzelfde inheemse woord voor ‘hulst’, maar het bewijst niet dat ze in direct contact stonden. Het 'vrij'-woord is wél bewijs voor vroeg direct contact. Bewijs voor direct contact in de vroege bronstijd is niettemin een stuk schaarser dan voor contact in de late bronstijd en later.

Een veelbesproken onderwerp in de Keltische studies is Celtic from the West. De traditionele opvatting onder wetenschappers is dat het Keltisch oorspronkelijk in de vroege ijzertijd werd gesproken in Centraal Europa. Volgens deze nieuwe theorie is het Keltisch daarentegen al in de bronstijd ontstaan als de taal van handelaren langs de Atlantische kust.[8]n. 8 Koch, John T., 'Rock art and Celto-Germanic vocabulary: shared iconography and words as reflections of bronze age contact', Adoranten (2018) 1–16. Zie ook de recensie 'De archeologische taalkunde van Cunliffe' van Pierre Faure van een recente publicatie over onder andere de Celtic from the West-theorie in Kelten 84. Deze handelsnetwerken op zee reikten ook tot Scandinavië. Binnen dit scenario wordt ervan uitgegaan dat het Indo-Europese dialect dat later Keltisch zou worden al een stuk eerder dan voorheen gedacht de Britse eilanden bereikte en ook al een stuk eerder naar het Keltisch transformeerde. Taalkundig bewijs voor dit scenario kan komen van een gedeelde maritieme woordenschat. Hiervoor vinden we enkele woorden, zoals Oudiers cúan ‘haven, baai’ en Nederlands 'haven', Oudnoors hǫfn, en Oudiers séol ‘zeil’ en Nederlands 'zeil'. Het 'haven'-woord is vroeg in het Germaans en Keltisch terechtgekomen, want het Germaans heeft een f van een oude *p. Het is alleen niet helemaal zeker of het 'haven'-woord een zeemansterm is, want het woord kan ook op een natuurlijke baai slaan. Baaien waren voor de eerste Indo-Europeestalige volken in West-Europa mogelijk net zo nieuw als de hulst, dus misschien zegt dit woord toch weinig over Keltische zeemanskunsten en meer over het nieuwe landschap waar deze volken uit de steppe terechtkwamen. Het 'zeil'-woord kan daarentegen niet oud zijn, want uit de archeologie blijkt dat zeilen pas in de ijzertijd de Noordzeeregio bereikten en daarmee is dit woord voor Celtic from the West te laat om bewijs te leveren. Verder is het de vraag of handelscontact over zee alle eerder genoemde veranderingen in landbouw en maatschappelijke organisatie verklaart. Misschien is het toch simpeler om aan te nemen dat boeren onderling hooibouwkennis uitwisselden dan om een schakel van handelaren over zee aan te moeten nemen. Misschien is het beeld van Keltischtalige zeelui die vroeg in de bronstijd al naar Scandinavië voeren toch niet heel waarschijnlijk. Niettemin geeft het 'hulst'-woord aan dat het Keltisch westelijk in Europa ontstaan moet zijn.

Conclusie

Deze studie van de Keltische en Germaanse woordenschat biedt enkele opvallende inzichten. Zo lijken de voorouders van Kelten en Germanen toch al vroeg na het uiteenvallen van het Proto-Indo-Europees naar West-Europa te zijn verhuisd. Eenmaal daar kwamen ze waarschijnlijk in contact met sprekers van dezelfde niet-Indo-Europese taal of taalfamilie. Vermoedelijk stonden Kelten en Germanen ook al vroeg in direct contact, maar dit contact wordt duidelijker zichtbaar vanaf de late bronstijd. In deze periode en daarna wisselden ze talloze innovaties uit in de oorlogsvoering, landbouw, nijverheid, maatschappelijke organisatie en uiteindelijk metaalbewerking. Zo geeft deze taalkundige studie een mooi beeld van de voorgeschiedenis waar archeologen dan weer op kunnen inhaken.

Maar onze bestaande kennis van de archeologie kan ook de taalkunde informeren. Op basis van taalkunde weten we in welke volgorde klanken veranderden, maar we weten niet precies wanneer. We weten bijvoorbeeld door Nederlands 'leder' dat de Keltische *p- verdwenen was vóór de Germaanse wet van Grimm, maar de taalkunde zegt niets over in welke eeuwen deze klankveranderingen plaatsvonden. Met archeologie kunnen we hier toch een benadering van maken. De klankwetten die leidden tot het Proto-Keltisch waren bijvoorbeeld al voltrokken toen woorden voor ‘koning’ en dergelijke werden ontleend en in de archeologie zien we maatschappelijke ongelijkheid groeien in de late bronstijd. Door deze archeologische ontwikkeling te koppelen aan ontlening van dit woord voor ‘koning’ is het mogelijk om te concluderen dat veel klankwetten die leidden tot het Proto-Keltisch tegen het einde van de bronstijd al voltrokken waren. Ook de wet van Grimm is op deze manier te dateren: we zien dat het woord voor ‘koning’ al ontleend was vóór deze verandering, hooibouwwoorden zijn ontleend rond de wet van Grimm en metaalbewerkingswoorden zijn ontleend ná de wet van Grimm. Op basis hiervan kunnen we de wet van Grimm in de loop van de ijzertijd plaatsen.

Het moge duidelijk zijn dat de Keltische en de Germaanse woordenschat van onschatbare waarde zijn voor onderzoek naar de Europese voorgeschiedenis. Ditzelfde geldt uiteraard voor andere talen. Toekomstig onderzoek zou zich bijvoorbeeld kunnen richten op woorden die alleen in het Keltisch en het Italisch voorkomen, of op het Germaans en het Balto-Slavisch. Door deze puzzelstukken bij elkaar te brengen krijgen we een steeds completer beeld van de Europese brons- en ijzertijd. Dit artikel mag dan ook worden opgevat als een betoog om onze huidige taaldiversiteit te waarborgen, want al onze talen hebben de potentie om zulke verhalen te vertellen en met iedere taal die uitsterft verdwijnt een perspectief op onze voorgeschiedenis.

Dankwoord

Dit onderzoek is uitgevoerd binnen het EUROLITHIC-project. Dit artikel is gebaseerd op een nog niet beoordeeld artikel dat ik heb geschreven met mijn coauteurs Guus Kroonen en Anders Jørgensen met de titel European prehistory between Celtic and Germanic: the Celto-Germanic isoglosses revisited. Het EUROLITHIC-project wordt gefinancierd door de Europese Onderzoeksraad in het kader van het EU Horizon 2020-programma voor onderzoek en innovatie (subsidieovereenkomstnummer 716732).

Eindnoten

Respectievelijk uit (vormen van) de Latijnse woorden pons, liber en ecclesia, waarvan het laatste zelf weer een leenwoord uit het Grieks is.
Enkele voorbeelden van eerdere artikelen zijn: Lane, Geo. S., ‘The Germano-Celtic vocabulary’, Language 9, nr. 3 (1933) 244–64; Polomé, Edgar C., ‘Celto-Germanic isoglosses (revisited)’, Journal of Indo-European Studies 11, nr. 3 & 4 (1983) 281–98; Hyllested, Adam, ‘The precursors of Celtic and Germanic’, in Jamison, Stephanie e.a. (red.), Proceedings of the 21st Annual UCLA Indo-European Conference: Los Angeles, October 30th and 31st, 2009 (Bremen 2010) 107–28.
D’Arbois de Jubainville, Henri, Les premiers habitants de l’Europe d’après les écrivains de l’antiquité et les travaux des linguistes, vol. 2 (Paris 1894).
Voor meer informatie over hoe we vroege niet-Indo-Europese leenwoorden kunnen herkennen, zie Schrijver, Peter C.H., ‘Animal, vegetable and mineral: some Western European substratum words’, in Lubotsky, Alexander (red.), Sound law and analogy, Leiden Studies in Indo-European 9 (Amsterdam 1997) 293–314.
Brumlich, Markolf, ‘Schmiedegräber der älteren vorrömischen Eisenzeit in Norddeutschland’, Norddeutschland 46 (2005) 189–220.
Hodgson, J. G., e.a., ‘Functional interpretation of archaeobotanical data: making hay in the archaeological record’, Vegetation History and Archaeobotany 8, nr. 4 (1999) 261–71.
Van der Vaart-Verschoof, Sasja, Fragmenting the chieftain: a practice-based study of early iron age Hallstatt C elite burials in the Low Countries, Papers on archaeology of the Leiden Museum of Antiquities 15A (Leiden 2017) 17. Een voorbeeld van zo’n graf in Nederland is het vorstengraf in Oss.
Koch, John T., 'Rock art and Celto-Germanic vocabulary: shared iconography and words as reflections of bronze age contact', Adoranten (2018) 1–16. Zie ook de recensie 'De archeologische taalkunde van Cunliffe' van Pierre Faure van een recente publicatie over onder andere de Celtic from the West-theorie in Kelten 84.

Vorige bijdrage
De knot van de Clonycavan Man
Lucy Kyselica
16 november 2020
Volgende bijdrage
Nieuwjaarswoord 2021
Ashwin Gohil
4 januari 2021