Gevaarlijke dieren en de bescherming van het land: voorbeelden uit de Dindshenchas Érenn

From Kelten
k98-2024-mulder-dindshenchas-dieren
98
Gepubliceerd: 4 mei 2024
Gevaarlijke dieren en de bescherming van het land: voorbeelden uit de Dindshenchas Érenn
David Mulder
Title (EN): Dangerous animals and the preservation of the land: examples from the Dindshenchas Érenn
Abstract (EN):

The examples of monstrous animals like pigs, dogs, horses, birds, and sea monsters in dindshenchas stories show that the killing of dangerous, enchanted and monstrous animals is of paramount importance for the protection of the land, as was advocated by A.G. van Hamel in his Aspects of Celtic Mythology. Failure to hunt a dangerous animal threatens cosmic disruption and the downfall of sacred kingship. The Dindshenchas Érenn thus provides not only creative medieval etymology but also a didactic aspect; the corpus contains cautionary tales that taught the reader religious and ethical codes applicable to particular places in the landscape.

Betoverde zwijnen die jagers en jachthonden in een meer verdrinken, een zeemonster dat aanspoelt en besmettelijk braaksel uitspuwt, of slangen die elk ander dier in Ierland kunnen verslinden — het elfde/twaalfde-eeuwse corpus van de Dindshenchas Érenn (‘Plaatsnaamtraditie van Ierland’)[1] kent talloze overleveringen waarin gevaarlijke dieren op de voorgrond treden. In zijn sleutelpublicatie over de Keltische verhaalcultuur, Aspects of Celtic Mythology, schreef Anton Gerard van Hamel dat de ‘religieuze onderstroom’ van de Ierse literatuur zich berust op de bescherming en het behoud van het land (Van Hamel 1934). Deze gedachte is gekoppeld aan het concept ‘sacraal koningschap’: de vorst houdt zich aan een bovennatuurlijk contract om voorspoed voor de troon en het land te verzekeren. Een wijze waarop deze bescherming van het land kan worden bewerkstelligd, is door jacht te maken op gevaarlijke of magische dieren (Borsje 2009).
 
In dit artikel illustreer ik Van Hamels these van de bescherming van het land aan de hand van een aantal voorbeelden van vervaarlijke dieren uit dindshenchas-verhalen.[2] Alhoewel veel van deze verhalen in het pre-christelijke Ierland zijn gesitueerd, zijn ze wel degelijk opgetekend door christelijke dichtgeleerden. Om dit te demonstreren, zal ik tevens enkele parallellen trekken tussen de Dindshenchas Érenn en Bijbelverhalen.

Literaire landkaart

Eerst een korte toelichting op het primaire bronmateriaal. De Dindshenchas Érenn is een grote verzameling Middelierse metrum- en prozateksten die informatie bevat over het ontstaan, de transformatie en de benoeming van belangrijke plaatsen in Ierland.[3] Veel van de namen die in de teksten voorkomen zijn die van de welbekende koningen, helden en bovennatuurlijke entiteiten uit de middeleeuwse Ierse epiek die zich in de late ijzertijd en vroege middeleeuwen afspeelt. Bovendien zijn er aanknopingspunten met onder andere bijbelse en klassieke geschriften, waardoor de Dindshenchas Érenn te midden van een immens web van historisch-religieuze kennis staat.
 
De plaatsnamen kunnen als ‘mnemonische instrumenten’ worden beschouwd die de Ierse dichtgeleerden en geestelijken raadpleegden om zo mythologische en pseudo-historische gebeurtenissen op specifieke plaatsen voor de geest te kunnen halen. De Dindshenchas Érenn is daarom een literaire landkaart die het mogelijk maakt om het landschap van Ierland te navigeren door verschillende tijdlagen heen (Mac Cana 1988; Toner 2005; Ní Mhaonaigh 2016). 

Betoverde zwijnen en verdronken jachthonden

Runderen, zwijnen, paarden, vogels, honden, vissen, herten en wolven: allemaal verschijnen ze in het middeleeuwse landschap dat wordt beschreven in de Dindshenchas Érenn. Dikwijls vinden dieren door mensen (of mensen door dieren) hun dood in de verhalen, waarna er een plaats naar hen wordt vernoemd als teken van boetedoening (Toner 2014). Na búar ‘vee’, komen mucca ‘varkens, zwijnen’ en coin ‘honden’ veruit het meest voor in de teksten. Neem de dindshenchas van Loch Con (Lough Conn, Co. Mayo)[4]. In de prozaversie van het Bodleiaanse handschrift,[5]  omsingelen de honden van Manannán mac Lir en Mod[6] een varken dat een enorme ravage dreigt aan te richten. De tekst beschrijft dat het land tot aan Albion (Schotland) zou zijn veranderd in een woestijn als de honden van Manannán mac Lir en Mod het wilde varken niet hadden gestopt. Daarmee is dit dindshenchas-verhaal een toonbeeld voor Van Hamels theorie van de bescherming van het land. Het dier springt voor de honden uit een meer in, waarna de honden verdrinken, terwijl het varken een eiland in het meer opzwemt (Stokes 1892). Naast dat de jacht op het varken massale verdroging van het land voorkomt, wordt zo tevens de naam Loch Con ‘het Meer van de Honden’ en Mucc-inis ‘Varkenseiland’ verklaard. De tekst demonstreert hoe de dichtgeleerden creatieve middeleeuwse etymologie toepasten (Baumgarten 2004) — een fenomeen dat zich door de gehele Dindshenchas Érenn verspreidt.
 

Lough Conn, Co. Mayo (bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:20120820_11_Ireland_-_Co._Mayo_-_Lough_Conn_%287961567404%29.jpg)

 
Een soortgelijk tafereel ontrafelt zich in de prozaversie van de dindshenchas van Loch Néill (locatie onbekend, vermoedelijk in Co. Roscommon) in het Rennes handschrift.[7] In dit verhaal gaat Niall, zoon van Koning Énna Aignech en leider van de struikrovers van Ierland onder de heerschappij van Conall Cromderg, op zoek naar de zwijnen van Drebriu. Deze zwijnen zijn bekend uit andere teksten uit het corpus: de dindshenchas van Belach Conglais, Duma Selga en Ceis Choraind. De dindshenchas van Duma Selga vertelt hoe de zwijnen oorspronkelijk mensen waren, drie mannen en drie vrouwen, totdat zij werden behekst door een boze stiefmoeder en uiteindelijk werden opgejaagd en gedood door Medb, de befaamde koningin van Connacht uit de Ulstercyclus (Gwynn 1913). Desalniettemin zijn de betoverde zwijnen in de dindshenchas van Loch Néill de jagers te slim af. De zwijnen stevenen op een meer af waar Niall en zijn jachthonden verdrinken (Stokes 1894). Deze tekst is een voorbeeld van een gefaalde jacht op magische dieren en is daarmee een voorbode op de teloorgang van het koningschap en een gevaar voor het land. 
 
In de metrische versie van de dindshenchas van Loch Néill wordt er in de slotstanza direct verwezen naar een passage uit het Oude Testament. Na te hebben verkondigd dat het meer naar Niall (hier Nel) zal worden vernoemd, roept de dichter de ‘Koning die de Farao verdronk’ (a rí, robáid Forainn) aan en vraagt hem om voor elke held die de dichtgeleerde prijst een plek aan zijn zijde te bewaren (Gwynn 1913). Zo geeft de stanza blijk van plaatsnaambenoeming als boetedoening. De passage waar de dichter echter op zinspeelt, is Exodus 14, waarin God de Egyptenaren verdrinkt in de Rode Zee nadat Mozes de Israëlieten door de doorgang heeft geleid. Hier zien we een bijbels voorbeeld van het verbreken van een sacraal contract tussen koning (de farao) en God en de kosmische ontregeling die erop volgt.
 
In de dindshenchas van Mag Mucraime (tussen Athenry en Galway, Co. Galway) verschijnt er een rotte betoverde zwijnen uit de Grot van Cruachu (Rathcroghan, Co. Roscommon) in de provincie Connacht. De metrische versie beschrijft dat de dieren een zwarte kleur hebben en afgezanten zijn van een demon die het op Koningin Medb en Koning Ailill heeft gemunt. De zwijnen richten grote schade aan in het land, totdat Medb een van hen bij de poot grijpt, waarna de vorsten de dieren kunnen tellen. De tekst legt uit dat op deze wijze de vlakte de naam Mag Muc-ríme ‘het Veld van Varkensnummering’ verkreeg (Gwynn 1913). 
 
In de twaalfde-eeuwse tekst Cath Maige Mucrama (‘De Slag van Mag Mucrama’) die gebaseerd is op negende-eeuws materiaal doemen er naast de zwijnen ook andere gevaarlijke beesten op uit de Grot van Cruachu: driekoppige wezens en een zwerm ‘saffraankleurige’ vogels bijvoorbeeld. In deze tekst wordt de grot niet voor niets aangeduid met dorus iffirn na Hérend (‘de Poort naar de Hel van Ierland’). De verderfelijke beesten verdorren alles op hun pad, totdat zij worden gedood door de Ulaid, de heldhaftige krijgers van Ulster (O’Daly 1975). 
 
Jacqueline Borsje wijst erop dat naast het verslaan van gevaarlijke en magische dieren, het fenomeen van tegenstanders tellen door Medb en Ailill tevens kan worden opgevat als een ‘sacrale functie van de bescherming van het land’ en daardoor relevant is voor de theorie van Van Hamel (Borsje 2009). 

Reuzenraven, allesverslindende slangen en een zeemonster

Boosaardige vogels zoals die zijn omschreven in Cath Maige Mucrama komen ook voor in de dindshenchas van Srúb Brain (Inishowen, Co. Donegal). In zowel de proza als metrische versie van deze tekst duikt de voornaamste held uit de Ulstercyclus op: Cú Chulainn. Het Rennes handschrift geeft kennis van een grote zwerm reusachtige zwarte vogels die Cú Chulainn vanaf Dún Delgan (Dundalk, Co. Louth) achtervolgt. In ieder gebied dat hij doorkruist, doodt de held een van de reuzenvogels, totdat er geen een meer in leven is. Het dindshenchas-verhaal vertelt hoe Cú Chulainn de kop van de laatste vogel eraf snijdt en zijn handen in het bloed van de vogel baadt. Wanneer hij de kop van het dier op een rots plaatst, zegt hij: ‘een snavel van een raaf daar’ (srub brain and) en zo verklaart de tekst de plaatsnaam (Stokes 1894). 
 
Naast dat de dreiging van de reuzenvogels de kop in wordt gedrukt, wordt er aan Cú Chulainns handelingen ook een ritueel aspect toegeschreven. In de metrische versie van de dindshenchas van Srúb Brain vertaalt Edward Gwynn: ‘hij [Cú Chulainn] verwijderde de nek van de schouders [van de raaf], hij baadde zijn handen in het bloed, hij weefde alle mysteries van het ambacht’ (rotheip a méide assa muin, indlais a láma ‘n-a fuil, roúaig cach rúin in challait) (Gwynn 1913). Rún kan naast ‘mysterie’ ook worden vertaald naar ‘iets verborgens of occults', en ‘een geheim’. In het Oude Testament worden talloze dieren geofferd en aan God aangeboden, waar de handeling van Cú Chulainn in de dindshenchas van Srúb Brain mogelijk naar verwijst. Anderzijds kan de dichtgeleerde zich ook een voorstelling van een pre-christelijk ritueel hebben gemaakt. Dit geeft blijk van de mogelijkheid van verschillende religieuze perspectieven in dezelfde tekst. 
 
Een ander voorbeeld van gevaarlijke dieren zijn de drie slangen in de dindshenchas van Berba (de Barrow rivier). De prozaversie in het Bodleiaanse handschrift vermeldt dat Mac Cécht, een van de Túatha Dé Danann, Méche doodt, de zoon van de gedaantewisselaar en tovenares de Morrígan, omdat er zich drie adders in Méche’s drie harten bevinden. Op deze manier voorkomt Mac Cécht namelijk dat de slangen tot zo’n formaat uitgroeien in Méche’s buik, dat zij geen enkel dier in Ierland in leven zouden hebben gelaten. Mac Cécht verbrandt de harten met de slangen en gooit het as in een rivier (de Barrow) dat begint te koken en ieder ander dier in het water oplost (Stokes 1892). Het fenomeen van een slang die water doet koken, zou kunnen verwijzen naar het Bijbelse zeemonster Leviathan in Job 41:22.
 
In de metrische versie van de dindshenchas van Berba wordt Méche (hier Mechi) niet door Mac Cécht, maar door Diancécht gedood. Diancécht, of Dían Cécht, wordt in het elfde/twaalfde-eeuwse Cath Maige Tuired (‘De [Tweede] Slag van Mag Tuired’), ook gebaseerd op negende-eeuws materiaal, omschreven als bovennatuurlijke heler van de Túatha Dé Danann (Gray 1982; Murphy 1953-1955). Echter, in de metrische versie is Mechi de naam van een oude slang die door Dían Cécht wordt afgemaakt voordat het ‘de soldaat om hem te verorberen’ (in mbeirg dia bronnud) kiest en de slang zo al het vee in Ierland zou hebben verslonden (Gwynn 1906). Zodoende wordt er in dit dindshenchas-verhaal wederom een dier gedood om desastreuze gevolgen voor het land te kunnen voorkomen.
 
Een omineus dier dat als laatste voorbeeld kan dienen, is de Rossualt (‘zeemonster’) in de dindshenchas van Mag Muirisce (wellicht Murrisk, Co. Mayo). Rosualt is een leenwoord uit het Oudnoors, hrossvalr, van hross ‘paard’ en valr ‘walvis’, dat naar ‘walrus’ wordt vertaald. In het Bodleiaanse handschrift wordt het dier echter omschreven als ‘een grote zeevis’ (muiriasc mór) wiens geheimen door de heilige Colum Cille (Sint Columba van Iona) in de zesde eeuw zouden zijn onthuld. Het is duidelijk dat de dindshenchas van Mag Muirisce is gebaseerd op Amra Choluim Chille (‘Colum Cille’s Lofdicht’), een elfde/twaalfde-eeuwse tekst die dateert uit de negende eeuw (Bisagni 2019).
 
De reuzenvis zou aan land zijn aangespoeld en daar in drie jaar drie keer zijn braaksel hebben uitgespuwd. Het eerste jaar braakte het in de zee, waardoor schepen vergingen en de dieren van de zee stierven. Het tweede jaar richtte het monster zijn braaksel in de lucht en doodde zo de vogels. Het derde jaar gaf het over op het land, waardoor mensen en runderen stierven (Stokes 1892). In het Rennes handschrift wordt er bovendien verklaard dat er door het braaksel van Rossualt plagen worden verspreid door de zee, de lucht en het land (Stokes 1894). Het zeemonster wordt in dit dindshenchas-verhaal niet gedood, maar ontwricht de kosmos, wat doet denken aan de verwoestende kracht van andere zeemonsters uit de westerse cultuur, zoals de Bijbelse Leviathan, de Scandinavische Jörmungandr en de Griekse Scylla.
 

Murrisk, Clew Bay met Croagh Patrick op de achtergrond (bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Clew_Bay_Croagh_Patrick.jpg).

Gevaarlijke dieren in de Dindshenchas Érenn: een dreiging van kosmische ontregeling

Het overzicht van dindshenchas-verhalen in dit artikel toont aan dat het doden van gevaarlijke, betoverde en monsterlijke dieren van het allergrootste belang is voor de bescherming van het land, zoals werd bepleit in de these van Van Hamel. Mislukt de jacht op een gevaarlijk dier, dan dreigt er kosmische ontregeling en de ondergang van het sacraal koningschap. Die ontwrichting riskeert de verwoesting en uitdroging van het land, grote sterfte van vee of een plaag die wordt verspreid door de lucht, de zee of het over het land, wat catastrofale gevolgen inhield voor de veehouderij en akkerbouw die essentieel waren in de middeleeuwse Ierse samenleving. De Dindshenchas Érenn voorziet daarmee naast creatieve middeleeuwse etymologie ook van een didactisch aspect; het corpus bevat waarschuwende verhalen die de lezer religieuze en ethische codes leerde die van toepassing waren op bepaalde plekken in het landschap. 
 

Illustratie van Jörmungandr, uit een zeventiende-eeuws manuscript. (bron: https://www.worldhistory.org/image/13622/jormungandr-in-the-edda-oblongata/)

Eindnoten

Afkomstig uit het Oudiers senchas ‘oude verhalen, traditie’, dind ‘opmerkelijke plaats’ en Ériu ‘Ierland’. 
In dit artikel maak ik gebruik van gepubliceerde edities van de Dindshenchas Érenn door Whitley Stokes (1830-1909) en Edward Gwynn (1868-1941). De edities en vertalingen van Whitley Stokes verschenen in The Bodleian Dinnshenchas, The Edinburgh Dinnshenchas, The Rennes Dindsenchas en van Edward Gwynn in het vijfdelige The Metrical Dindshenchas. Zie bibliografie.
De teksten in het corpus zijn opgetekend in wel zeventien handschriften, waarvan het oudste handschrift, Het Boek van Leinster, uit de twaalfde eeuw stamt. Individuele teksten worden opgedragen aan dichters uit zowel de Oudierse periode (600-900 n.Chr.) als de Middelierse periode (900-1200 n.Chr.), terwijl revisies van het oudere materiaal tot in de zeventiende eeuw verschenen (Bowen 1975; Mulligan 2019).
Hedendaagse namen van plaatsen die in de Dindshenchas Érenn worden genoemd, zijn gebaseerd op de Onomasticon goedelicum locorum et tribuum Hiberniae et Scotiae: an index, with identifications, to the Gaelic names of places and tribes (Dublin 1910) van Edmund Ignatius Hogan (1831-1917). De digitale versie werd geproduceerd door het Locus Project aan University College Cork, onder leiding van professor Pádraig ó Riain en werd gereviseerd door Donnchadh Ó Corráin (1942-2017).
Oxford, Bodleian Library, MS Rawlinson B 506 ff. 1-16a, veertiende eeuw.
TManannán komt vaak voor in de vier grote literaire cycli van middeleeuws Ierland en staat bekend als afgevaardigde van de bovennatuurlijke Túatha Dé Danann (‘volk(eren) van de goden’ of ‘volkeren van de godin Danu’). De tekst verwijst kort naar Insi Mod (De Eilanden van Clew Bay, Co. Mayo) die hun naam aan Mod te danken zouden hebben. 
Rennes, Bibliothèque de Rennes Métropole, MS 598, ff. 90-125, dertiende/veertiende eeuw.

Bibliografie

  • Baumgarten, Rolf, ‘Creative Medieval Etymology and Irish Hagiography (Laisar, Columba, Senán)’, Ériu 54 (2004) 49-78.
  • Bisagni, Jacopo (red. en vert.), Amrae Coluimb Chille: a critical edition. Early Irish Text Series 1 (Dublin 2019).
  • Borsje, Jacqueline, ‘Supernatural Threats to Kings: Exploration of a Motif in the Ulster Cycle and In Other Medieval Irish Tales’, Ulidia 2, red. R. Ó hUiginn en B. Ó Catháin (Maynooth 2009) 173-194.
  • Bowen, Charles, ‘A Historical Inventory of the Dindshenchas’, Studia Celtica 10 (1975) 113-137.
  • Gray, Elizabeth A. (red.), Cath Maige Tuired: The Second Battle of Mag Tuired. Irish Texts Society 52 (Londen 1982).
  • Gwynn, Edward (red. en vert.), The Metrical Dindshenchas, vol. 2. Todd Lecture Series 9 (Dublin 1906 [1991]).
  • -----, The Metrical Dindshenchas, vol. 3. Todd Lecture Series 10 (Dublin 1913 [1991]). 
  • Hamel, Anton Gerard van, ‘Aspects of Celtic Mythology’, Proceedings of the British Academy 20 (1934) 207-248.
  • Hogan, Edmund en Donnchadh Ó Corráin (red.), Onomasticon Goedelicum: revised and corrected (Dublin 2017). https://www.dias.ie/celt/celt-publications-2/onomasticon-goedelicum/ (geraadpleegd op 25-12-2023).
  • Mac Cana, Proinsias, ‘Placenames and Mythology in Irish Tradition: Places, Pilgrimages and Things’, Proceedings of the First North American Congress of Celtic Studies, red. Gordon W. MacLennan (Ottawa 1988) 319-341.
  • Mulligan, Amy C, A Landscape of Words: Ireland, Britain and the Poetics of Space, 700-1250 (Manchester 2019).
  • Murphy, Gerard, ‘Notes on Cath Maige Tuired’, Éigse 7 (1953-1955) 191-198.
  • Ní Mhaonaigh, Máire, ‘Légen hÉrenn: ‘The Learning of Ireland’ in the Early Medieval Period’, “Books Most Needful to Know”: Contexts for the Study of Anglo-Saxon England, red. Paul E. Szarmach (Kalamazoo 2016) 85-149.
  • O’Daly, Máirin (red. en vert.), Cath Maige Mucrama: The Battle of Mag Mucrama (Dublin 1975).
  • Toner, Gregory, ‘Authority, Verse and the Transmission of Senchas’, Ériu 55 (2005) 59-84.
  • -----, ‘Landscape and Cosmology in the Dindshenchas’, Celtic Cosmology: Perspectives From Ireland and Scotland, red. Jacqueline Borsje, Ann Dooley, Séamus Mac Mathúna en Gregory Toner (Toronto 2014) 268-283. 
  • Stokes, Whitley (red. en vert.), ‘The Bodleian Dinnshenchas’, Folk-Lore 3 (1892) 467-516.
  • -----, ‘The Prose Tales in the Rennes Dindsenchas’, Revue Celtique 15 (1894) 272-336, 418-484.

Vorige bijdrage
Nieuws en mededelingen Kelten 97
Anouk Nuijten
1 februari 2024
Volgende bijdrage
Nieuws en mededelingen Kelten 98
Lian Blasse
1 mei 2024