The Book of Ballycummin, RIA MS 23 N 10 Conference

From Kelten
k79-2019-nooij-book-of-ballycummin-ria-ms-23-n-10-conference
79
Gepubliceerd: 1 juli 2019
The Book of Ballycummin, RIA MS 23 N 10 Conference
Lars Nooij


The Book of BallycumminRIA MS 23 N 10 Conference
Title (EN): The Book of Ballycummin, RIA MS 23 N 10 Conference
Abstract (EN):

In March 2019 the Royal Irish Academy (RIA) held its fourth biannual manuscript conference. As before, one manuscript was selected to form the focal point of the conference: the 16th-century manuscript known as MS 23 N 10 or the ‘Book of Ballycummin’. In twelve papers the manuscript was examined from many different angles, ranging from why the manuscript contains stories from the Ulster Cycle (Ruairí Ó hUiginn), religious poems in their broader manuscript context (Elizabeth Boyle) and the orthography of its Cín Dromma Snechtai-texts (David Stifter), to the original order of its pages (Chantal Kobel) and the manuscript's previous owners (Richard Sharpe). Come 2021, the next manuscript to be discussed will be the Leabhar Breac.

Op donderdag 7 en vrijdag 8 maart 2019 opende de Royal Irish Academy (RIA) haar deuren voor wat alweer de derde conferentie op rij is. Het onderwerp: één handschrift uit de collectie van de academie, waarover tal van aspecten uitgelicht werden in de twaalf lezingen die er in deze dagen aan gewijd werden. Tijdens de vorige drie conferenties kwamen al het Lebor na hUidre, het Boek van Ballymote en het Boek van Uí Mhaine aan bod. Dit jaar was het de beurt aan het zestiende-eeuwse handschrift 23 N 10, waarvan de organisatie vond dat het een wat sprekender naam verdiende. Vandaar ook de nieuwe titel: het Boek van Ballycummin, naar de plaats waar het geschreven werd.

600px-Img-392-1557658597.jpeg

De conferentie vond plaats in de sfeervolle, oude bibliotheek van de RIA aan Dawson Street, te Dublin. En dat alleen al maakte dit een bijzondere conferentie, want het is een waar genoegen om je enkele dagen in dit monumentale pand te mogen bevinden en de geur van oude boeken in te mogen ademen. Bovendien lag het handschrift in kwestie ook nog eens tentoongesteld in de leeszaal van de bibliotheek, waardoor je er telkens wel even langskwam – een mooie toevoeging.

Als geheel bood de conferentie een krachtige combinatie van toegankelijkheid en specialisme. Hierbij hielp de breedte van de besproken thema’s: waar de één het had over religieuze gedichten, sprak de ander over de sagen van het verloren handschrift Cín Dromma Snechtai (zoals overgeleverd in 23 N 10). En waar het nu eens ging over de vreemde spelling van de scribent, besprak een ander hoeveel het destijds moet hebben gekost om het boek te produceren (dit bleek een erg ingewikkelde berekening, die mijzelf te boven ging!). Zodoende was eigenlijk niemand in álle onderwerpen gespecialiseerd en moesten de sprekers wel enige context en inleiding bieden, wilde de meerderheid van de gegadigden het kunnen volgen. Hierin slaagde de één beter dan de ander, maar over het algemeen denk ik dat het gelukt is de conferentie ook interessant te maken voor de geïnteresseerde leek – een uitgesproken doel van de organisatie.

De conferentie werd geopend door prof. Ruairí Ó hUiginn van het Dublin Institute for Advanced Studies (DIAS), die sprak over de verhalen van de Ulstercyclus die in het handschrift voorkomen, zoals Tochmarc Emire, Verba Scáthaige, Compert Con Culainn en Aided Chonchubair. De Ulstercyclus verhaalt van het hof van de legendarische koning Conchobar van de Ulaid, of Ulstermannen, en de jonge held Cú Chulainn. Ondanks dat de historische Ulaid al vroeg in de middeleeuwen hun politieke macht behalve in het uiterste noordoosten van Ierland kwijtraakten, werden deze verhalen in heel middeleeuws Ierland gelezen. Ze waren als het ware tot een premodern soort nationaal erfgoed verworden. Dat dit kon gebeuren valt volgens Ó hUiginn vermoedelijk te wijten aan de invloed van het machtige klooster van Armagh, dat wel eens een sleutelrol kan hebben gespeeld in de verdere verspreiding van de teksten. Hij pleitte er uiteindelijk voor dat de teksten van de Ulstercyclus het handschrift 23 N 10 via de volgende stadia bereikt zouden hebben: 1) ze werden aanvankelijk geschreven in Oost-Ulster, door de Ulaid, 2) vervolgens werden ze verspreid vanuit het klooster van Armagh, 3) zo bereikten ze het klooster van Clonmacnoise (in centraal Ierland), 4) waarvan enkele eeuwen later de bibliotheek (grotendeels) door de geleerde school van de Uí Mhaoil Chonaire werd overgenomen en 5) zo kwamen ze uiteindelijk terecht in een groep van handschriften uit Connacht die met deze familie geassocieerd worden en waartoe ook 23 N 10 behoort.

De tweede spreker was Elizabeth Boyle van Maynooth University die verscheidene religieuze gedichten in het handschrift besprak en ervoor pleitte meer te letten op de context waarin teksten binnen het handschrift voorkomen. Zo stelde ze bijvoorbeeld dat Aided Chonchubair ‘De dood van Conchobar’ (een tekst uit de voorgenoemde Ulstercyclus) niet los gezien moet worden van de verwijzingen naar de dood van martelaren in de religieuze gedichten in het handschrift. Conchobar overlijdt wanneer hij hoort van de dood van Christus. Hij windt zich hier namelijk zo over op dat een schedel die als gevolg van een eerder gevecht in zijn hoofd vast was komen te zitten eruit schiet, waarbij het bloed naar buiten gutst. Op deze manier wordt hij ‘gedoopt’ en gaat als eerste Ier naar de hemel. Verder bracht Boyle het interessante punt op dat we bijzonder weinig weten over de daadwerkelijke makers van religieuze gedichten in het Ierland van voor de Normandische verovering. Wie waren deze mensen? En wat was hun publiek? Aan de hand van de verscheidene religieuze gedichten illustreerde ze hoe breed dit genre feitelijk is, met teksten gericht op alle lagen van de samenleving. Het wordt, zo stelde ze, dan ook tijd om het genre nader te bestuderen en nieuwe subgenres te definiëren – iets waar ze de komende jaren mee aan de slag hoopt te gaan.

In de vroege morgen van de tweede dag opende prof. David Stifter, eveneens van Maynooth, met een analyse van de grammaticale vormen en de spelling van de Ierse taal in het handschrift en dan in het bijzonder in de teksten die men tot de Cín Dromma Snechtai rekent. Zelf vond ik het bijzonder treffend hoe hij verscheidene van deze teksten op basis van hun spelling wist te groeperen. Hij keek hierbij puur naar de manier waarop de gelenieerde letters b, d en g gespeld werden. Zo kwam hij tot een ‘conservatieve groep’, waarbij de spelling die van het Oudiers gelijkt, een ‘b-groep’, waarbij met name de spelling van gelenieerde b gemoderniseerd is (o.a. als bh, v) en een ‘g-groep’, waarbij datzelfde dan weer met name voor gelenieerde g geldt. Aangezien vrijwel al deze teksten door dezelfde scribent, Aodh, gekopieerd zijn, ligt het voor de hand dat Aodh meerdere, oudere handschriften gebruikte als brontekst – of dat er al een dergelijke spellingsvariatie in zijn legger (exemplar) te vinden was. Dit is een opzienbarende conclusie, aangezien men de theorieën over de inhoud van het verloren handschrift Cín Dromma Snechtai juist baseert op het idee dat al deze teksten gezamenlijk werden overgeleverd (een groepering die onveranderd terug zou gaan op dit verloren handschrift). Dat de scribent Aodh (of het boek waaruit hij kopieerde) ogenschijnlijk uit meerdere bronnen putte om deze teksten in 23 N 10 op te nemen lijkt hier verrassend tegenin te gaan.

Midden op de tweede dag kwam Chantal Kobel van het DIAS aan het woord en haar lezing was volgens velen de meest belangwekkende van de hele conferentie. Het was al langer bekend dat de bladzijden van het handschrift nu niet meer op hun oorspronkelijke volgorde gebonden zijn, maar tot nog toe was niemand erin geslaagd de originele volgorde te reconstrueren. Kobel stelde nu echter voor dat de huidige volgorde ontstaan is doordat men op gegeven moment alle perkamenten vellen gezamenlijk aan het begin van het handschrift heeft geplaatst, gevolgd door alle papieren bladen. Dat dit echter niet origineel kan zijn, blijkt uit het feit dat de tekst van het ene perkamenten folio nooit aansluit op die van het volgende folio. Kobel toonde echter aan dat de tekst van de perkamenten bladzijden in veel gevallen wél aansluit op die van papieren bladzijden. Op deze manier heeft ze overtuigend weten te reconstrueren hoe 23 N 10 oorspronkelijk gebonden moet zijn. Het lijkt er nu op dat de middeleeuwse binder telkens begon met een perkamenten buitenvel, met daartussen zes papieren bladen – een gebruik wat vaker wordt aangetroffen wanneer de boekcultuur van perkament op papier overgaat, omdat men het zwakkere papier dan nog met het stevigere perkament wil beschermen. Helaas bleven er ook enkele perkamenten en meerdere papieren bifolia over die niet op deze manier aan elkaar verbonden konden worden, wat er op wijst dat delen van het handschrift verloren moeten zijn gegaan. Dit doet echter niets af aan het belang van Kobels bijdrage: zowel de volgorde en afwisseling van de scribenten als de context waarin teksten binnen het handschrift voorkomen vallen immers pas echt op waarde te schatten als je weet wat de oorspronkelijke volgorde was!

De laatste lezing die ik hier zal uitlichten sprong eruit als één van de meest vermakelijke van de conferentie en werd door prof. Richard Sharpe van Oxford gegeven. Sharpe besprak de kleurrijke negentiende-eeuwse geschiedenis van het handschrift, waarbij duidelijk werd hoe de verkoop van dergelijke manuscripten er destijds aan toeging. Het spoor begint wanneer het boek op 21 april 1851 aan de RIA wordt aangeboden. In de catalogus staat tussen alle formele aantekeningen meteen een bijzonder sprekende opmerking in potlood: “Get this” (koop dit)! De verkoper was Sir William Betham, die het handschrift vermoedelijk vooral als investering gekocht, maar zijn totale onkunde overtuigend bewees door te beweren dat het boek “Hatred of the Pirates” (haat jegens de piraten) zou heten! Betham was in wezen puur een tussenpersoon. Grote instellingen zoals de RIA kochten destijds namelijk hele partijen handschriften op van verzamelaars in de stad, die zelf weer boeken kochten van lokale inkopers uit het achterland. Dat dit er niet altijd even netjes aan toeging, blijkt dan weer uit het feit dat dit handschrift deel uitmaakte van een complexe twist voordat Betham het kocht. Aan de hand van overgeleverde brieven, toonde Sharpe aan dat het aanvankelijk door iemand in Co. Cork aan een lokale potentaat geleend werd, die het weer aan een ander uitleende, maar dit alles prompt vergat. Hierdoor kon hij het niet meer teruggeven toen de oorspronkelijke eigenaar het op kwam halen. Enkele jaren later werd het wederom door iemand geleend, die het meenam naar Dublin en beweerde het daar te zijn ‘kwijtgeraakt’. Men geloofde hier echter niets van en vermoedde dat hij het handschrift had gestolen om het voor veel geld te verkopen aan een verzamelaar, zo iemand als Betham dus. Na enkele voorzichtige aantijgingen verhardt de toon en vindt er in de jaren 1830 een felle briefwisseling plaats. Bedreigingen werden over en weer uitgewisseld en het handschrift werd op gegeven moment door een getergde schrijver “that filthy old rag” (dat vieze oude vod) genoemd! Een verwijzing naar de slechte staat waarin 23 N 10 verkeerde, of slechts frustratie? We zullen het vermoedelijk nooit weten.

Al met al kan ik niet anders zeggen dan dat het een geslaagde conferentie was, waarbij veel nieuwe ontdekkingen aan bod kwamen. Gelukkig krijgt het geheel een vervolg: in 2021 vindt de volgende conferentie plaats en het zal dan over het grote Leabhar Breac gaan. En zo vestigt deze aansprekende serie zich meer en meer als een vast element in de keltologische agenda.[1]

Eindnoten

Wilt u naar aanleiding van dit verslag meer weten? U kunt de lezingen naluisteren op https://www.ria.ie/news/library-public-engagement/little-remnant-work-ancients-23-n-10-book-ballycummin. Ook zal er n.a.v. de conferenties een boek verschijnen in de reeks Codices Hibernenses Eximii, waarvan het eerste deel door Bart Jaski gerecenseerd werd in Kelten 69. U kunt de boeken bestellen via de webwinkel van de Royal Irish Academy.

Vorige bijdrage
Opleiding Keltische talen en cultuur: niet ondood maar eeuwig jong
Peter Schrijver
20 mei 2019
Volgende bijdrage
Nieuws en mededelingen Kelten 79
Sanne Jongeleen
31 mei 2019