Clontarf 1014–2014

From Kelten
k78-2019-toorians-duffy-medieval-dublin-clontarf
78

Gepubliceerd: 8 april 2019
Clontarf 1014–2014
Lauran Toorians


Seán DuffyDublinClontarf
Title (EN): Clontarf 1014–2014
Abstract (EN): A thousand years after the battle of Clontarf, in 2014, a symposium was held in Dublin, at which historians made a bold attempt at reinterpreting the battle of Clontarf and its tragic hero. Its most tangible result is the sixteenth volume of the series 'Medieval Dublin'. As per usual for the series, this volume was published by the Friends of Medieval Dublin. It contains fourteen contributions, which together illustrate just how hard it is to separate fact from fiction.

Duffy, Seán (red.), Medieval Dublin XVI. Proceedings of Clontarf 1014-2014: National Conference Marking the Millennium of the Battle of Clontarf (Dublin 2017). Four Courts Press. 326 pp., ISBN 978 1 84682 604 7, gebonden, €45,-.

Ten minste tweemaal speelt een Goede Vrijdag een rol in de geschiedenis van Ierland. In 1998 werd op die dag een akkoord getekend dat een eind maakte aan de burgeroorlog in Noord-Ierland, en in 1014 vond op die dag bij Clontarf (toen nabij, en nu in, Dublin) een veldslag plaats waarbij onder meer Brian Boru (Brian Bóruma, circa 941-1014), zijn zoon en een kleinzoon omkwamen. Desondanks geldt Brian – of in elk geval zijn ‘partij’ – als winnaar van de slag.

In de traditionele Ierse geschiedschrijving vormt 1014 een cruciaal jaar, onder meer omdat met deze slag de macht van de Noormannen in Ierland voorgoed zou zijn gebroken (en zelfs alle Noormannen uit Ierland zouden zijn verjaagd). Dat is evident niet waar, en aangezien lang niet alle Noormannen in Ierland heidenen waren, kan 1014 ook niet worden gezien als het jaar waarin alle heidenen uit Ierland werden verdreven. Als nationale, katholieke held was Brian Boru al enige tijd zijn glans kwijt, en dat is dus terecht. Als koning van Munster die de familie Uí Neill het hoog koningschap van Tara ontfutselde, was Brian niet zo succesvol als latere historici hebben betoogd, maar dat was altijd al een punt van discussie. Als ‘vader des vaderlands’ is Brian Boru de afgelopen decennia beslist van zijn voetstuk gevallen, daarmee is hij echter niet uit beeld verdwenen.

Duizend jaar na de slag bij Clontarf vond in 2014 in Dublin een symposium plaats waarin historici een dappere poging deden om te komen tot een herwaardering van Clontarf en zijn tragische held. Het tastbare resultaat daarvan is deze zestiende bundel in de reeks ‘Medieval Dublin’ die zoals de hele reeks verscheen onder auspiciën van de Friends of Medieval Dublin (fmd.ie). Wat deze bundel – met in totaal veertien bijdragen – vooral goed duidelijk maakt, is dat het niet meevalt om feiten en fictie van elkaar te scheiden. Niet vreemd, want contemporaine bronnen zijn er nauwelijks en die melden nog minder dan hierboven in de eerste alinea over de slag bij Clontarf al is gezegd. De annalen melden niet eens met zoveel woorden wie de winnaars en wie de verliezers waren, terwijl de genoemde slachtoffers in dergelijke bronnen toch vaak juist die van de verliezer zijn. En ook de plaatsnaam en de datum lijken latere toevoegingen. De meeste bronnen die melding maken van de slag dateren van een eeuw of meer na de feiten en zijn allemaal flink gekleurd.

De symposiumbundel beoogt enerzijds een zoektocht naar de schaarse feiten en hun historische context te zijn, en anderzijds een kritische beoordeling van het ‘Nachleben’ van Clontarf, de rol die deze veldslag kreeg in latere geschiedschrijving door de eeuwen heen. Het artikel waarmee de bundel opent, is veruit het langst en meteen ook het taaist voor wie niet is ingewijd in de vroegmiddeleeuwse machtsverhoudingen in Ierland. Bart Jaski belicht hierin de dynastieke voorgeschiedenis van Brian Boru. Belangrijk is dat Jaski goed laat zien hoe genealogieën in Ierland – en dat was elders niet anders – steeds werden gemanipuleerd en aangepast aan de actuele politieke situatie (of beter: aan de actuele wensen). Of we daarmee in staat zijn om feitelijke genealogieën te reconstrueren, is de vraag, maar het werpt wel licht op de kijk die deze lieden hadden op hun eigen verleden en op de wijze waarop zij daar gewicht(igheid) aan ontleenden. Wat dat betreft, zou meer aandacht voor middeleeuwse adelsgeschiedenissen uit ons eigen Nederland zeker vruchtbaar zijn. We noemen die lieden gewoon allemaal ‘koning’ (zo noemden zij elkaar soms ook), en dan wordt de situatie erg vergelijkbaar met Ierland. Catherine Swift laat in het tweede artikel zien hoe weinig modern DNA-onderzoek hieraan heeft toe te voegen. Vroegmiddeleeuwse familielijnen zijn nu eenmaal moeilijk door te trekken naar het heden, en dat maakt het lastig gegevens aan elkaar te koppelen.

Dat ook de archeologie maar zeer beperkt van nut is met betrekking tot de veldslag in Clontarf laat het artikel van Andrew Halpin zien. Geen enkele vondst kan met zekerheid in verband worden gebracht met ‘1014’. Wel kunnen vondsten van elders uit deze zelfde periode helpen om een beeld te krijgen van de wapens en de verdere uitrusting van de deelnemers, al blijft het – Halpin geeft dat ruiterlijk toe – vaak bij ‘zou kunnen’. Dat archeologie en geschiedschrijving een vruchtbare, maar ook erg weerbarstige tandem vormen, laat ook Marie Therese Flanagan zien. Zij belicht in haar artikel de ontwikkeling van het hoog koningschap in de periode na 1014 tot aan de Anglo-Normandische invasie in 1169, en brengt daarbij onder meer de vraag te berde of het mottekasteel ook al voor die invasie in Ierland bekend was. Archeologisch zijn daar aanwijzingen voor, maar geen uitsluitsel, terwijl de gebruikte terminologie in de bronnen ook niet geheel eenduidig is. Nader onderzoek is daar nodig. Verder pleit Flanagan nadrukkelijk voor meer prosopografisch onderzoek dat netwerken van personen kan blootleggen. Ook dat is iets wat Nederlandse mediëvisten in hun oren zouden mogen knopen.

Colmán Etchingham plaatst de veldslag van 1014 in een bredere, internationale context en betoogt overtuigend dat die niet los kan worden gezien van gebeurtenissen elders in de Vikingwereld. Zeker de machtsovername door de Denen in Engeland een jaar eerder moet van invloed zijn geweest op de politieke verhoudingen in het Ierse-Zeegebied. Het is hierbij overigens van belang het onderscheid tussen Noorwegen en Denemarken in het oog te houden (Etchingham doet dat ook). Het waren twee onderscheiden koninkrijken.

De artikelen over het ‘Nachleben’ van Clontarf laten goed zien hoe de geschiedenis steeds opnieuw wordt gekneed tot iets wat de historicus en zijn publiek past. In die zin is geschiedenis steeds ‘onze geschiedenis’ en zijn we gedwongen om die steeds weer opnieuw te bevragen en te beschrijven. Dat stemt tot nederigheid en – hopelijk – tot wantrouwen tegenover iedereen die komt aanzetten met lessen uit het verleden. Dat betekent niet dat het verleden niet belangrijk is. We komen eruit voort en leven ermee in wisselwerking. Het is dan ook mooi dat een groep studenten van Trinity College Dublin en website over de ‘Battle of Clontarf’ maakte. In het slotartikel doen zij verslag van hoe zij dit aanpakten en de keuzes die zij maakten. Het vormt een mooie afsluiting van deze bundel en het resultaat is een website die Clontarf ook naar een breder publiek kan brengen.

Wat in de bundel helaas ontbreekt, is de bibliografie. Wel aangekondigd in de inhoudsopgave, maar niet aanwezig.



Vorige bijdrage
‘Hoe karakteristiek’. De boekencollectie van Maartje Draak in de Universiteitsbibliotheek Utrecht
Bart Jaski
22 maart 2019
Volgende bijdrage
Buchedd Beuno
Lars Nooij
29 april 2019