‘Moet ik nu opletten wat ik zeg?’ – Leni van Strien

From Kelten
k80-2019-nooij-leni-van-strien-interview-keltische-talen-en-cultuur
80
Gepubliceerd: 26 augustus 2019
‘Moet ik nu opletten wat ik zeg?’ – Leni van Strien
Lars Nooij
Title (EN): Interview with Leni van Strien
Abstract (EN): When the university threatened to close down the department of Celtic Studies in Utrecht in the early 2000s, citing budget cuts, Leni van Strien was one of the leading figures in the (successful) fight to save the department. Although long since retired, Van Strien remains active within the field and is the present patron of the Stichting A. G. Van Hamel. In today's interview, we look back on her long scholarly career, reflecting on the way academia has changed over the past half-century and discussing just what it took to save her department from destruction.

Foto door Mick van Rootseler

Ruim vijftien jaar na haar pensioen als docent Keltisch blikken we met dr. Leni van Strien-Gerritsen terug op een bewogen carrière, waarin ze de Universiteit Utrecht zag veranderen. Wat bracht de huidige beschermvrouwe van de Stichting A. G. van Hamel bij Keltisch? En welke rol speelde ze in de jaren rond de eeuwwisseling, waarin de opleiding Keltische talen & cultuur met opheffing bedreigd werd? In een openhartig gesprek, met vele wendingen, sprak de nog immer betrokken Van Strien ons bij.

Beginjaren

 “Om te beginnen, ik ben natuurlijk geen keltoloog; maar ik heb me wel met Keltisch bemoeid.”

Het was een andere universiteit die Van Strien aantrof toen ze als jongedame naar Utrecht kwam om Klassieke talen te studeren. In een lange academische carrière die begon als student bij de Klassieken doorleefde ze tal van reorganisaties, waarbij de rijkdom aan talenstudies waar ze aanvankelijk mee in aanraking kwam gestaag afbrokkelde. Het verhaal van Van Strien is daarmee ook het verhaal van een oude universiteit en, in het bijzonder, een letterenfaculteit, die almaar kleiner werd. Het is ook een verhaal van breedte tegenover ‘verkokering’ en zichtbaarheid tegenover isolement. En om goed te begrijpen wat Van Strien uiteindelijk in 1999 de hakken in het zand deed zetten en haar tot haar pensioen – succesvol – deed vechten voor het behoud van de opleiding Keltisch, moeten we teruggaan naar het begin en met haar de rode draad van opheffingen volgen die haar loopbaan kenmerkte.

Van Strien kwam niet onbeslagen ten ijs toen ze begon bij de Klassieken. Ze omschrijft de rector van haar gymnasium, dr. K. van der Heyde, nog altijd lovend als één van de twee grote voorbeelden in haar leven, waarvan ze onvoorwaardelijk kan zeggen: “die konden het goed.” Van der Heyde leerde haar namelijk niet alleen buitengewoon goed Grieks, maar bovenal hoe je moet vertalen. Vaardigheden die haar enkele jaren later goed van pas kwamen bij haar studie Klassieke talen: ze werd zelfs vrijgesteld van bepaalde eerstejaarscolleges.

Het duurde niet lang voor ook haar tweede grote voorbeeld ten tonele verscheen: prof. dr. Jan Gonda, hoogleraar Sanskrit én vergelijkende Indo-europese taalwetenschap. Destijds was de opleiding Klassieken in Utrecht in de basis een filologenopleiding. Dat wil zeggen, je leerde er de talen puur om teksten te kunnen lezen en te plaatsen binnen de context van het bredere tekstcorpus. De taal an sich, met al haar dialecten (een uitgesproken interesse van Van Strien) en de verdere context waren van ondergeschikt belang: het waren slechts middelen om de teksten zelf beter te kunnen begrijpen. Zodoende had je een hoogleraar Grieks en een hoogleraar Latijn voor de lectuur, maar was het Gonda, de Sanskritist, die – in hun bredere, Indo-europese samenhang – naar de grammatica van het Grieks en Latijn keek.

Van Strien koos voor de vergelijkende Indo-europese taalwetenschap (of zoals ze het zelf vaak nog bij de oudere naam noemt: de Indogermanistiek) als hoofdvak binnen haar doctoraal, met Grieks als bijvak. Daarnaast verruilde ze het Latijn voor het Italiaans, onder een docent die zich specialiseerde in Italiaanse dialecten. Deze combinatie leidde in 1964 tot haar doctoraalscriptie over de invloed van het uitgestorven Oskisch-Umbrisch op het Italiaans, waarin deze oude talen nog steeds doorklinken in de gesproken dialecten. Het is een interesse die haar altijd bij zou blijven: op het moment verdiept Van Strien zich in de Italiaanse dialecten van het oude Magna Graecia, dwz. het zuidelijke deel van Italië waar men in de oudheid Grieks sprak.

Na haar afstuderen – cum laude – verschoof haar aandacht evenwel naar het Oosten: ze begon namelijk een maand later als promovenda bij Gonda aan het Instituut voor Oosterse Talen, waar ze ook wetenschappelijk medewerker werd. Latijn en Germaans vond ze inhoudelijk niet zo spannend. “Daar kwam bij dat we een uitstekende afdeling Germanistiek hadden ... Dus daar hoefde ik niet zoveel voor te betekenen: dat was er al.” Bij de Oosterse Talen sprong ze er juist uit: ze was er in feite de enige Indo-europeanist te midden van een hele rits Sanskritisten. Binnen drie jaar mocht ze van de hoogleraar de taalkundige colleges Latijn en Grieks geven die haar zelf nog maar enkele jaren geleden naar het veld gelokt hadden. In 1973 promoveerde ze op een Grieks onderwerp.

Bestuurder

Van Strien deed ondertussen ook ervaring op als bestuurder. Het was een pad dat ze toen al langer bewandelde. In 1965 was ze al lid geworden van de VVAO, de ‘Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding’, waarbinnen ze uiteindelijk bestuurslid zou worden. Het bracht haar door de jaren heen op tal van plekken én in aanraking met tal van bestuurders. Zo mocht ze in de jaren ’90 bijvoorbeeld op bezoek komen bij de president van Ierland, Mary Robinson. Ze was namens de VVAO namelijk ook lid van de IFUW, de ‘International Federation of University Women’ en bouwde een formidabele kennissenkring op die nog van pas zou komen toen Keltisch met sluiting bedreigd werd.

Het strekte verder. Ter compensatie voor de sluiting van de mijnen was besloten de Open Universiteit in Heerlen op te richten en via de VVAO werd erop aangedrongen dat er ook een paar vrouwen in de bestuursraad kwamen te zitten. Eén daarvan was Van Strien: haar “eerste koninklijke aanstelling”. Ze kwam in een mannenwereld terecht en kreeg te maken met een college van bestuur dat een afspiegeling vormde van het verzuilde Nederland, en waarvan niet iedereen met elkaar door één deur kon. Dat leverde moeilijke momenten op. Namens de bestuursraad, waarvan Van Strien vicevoorzitter was, werd uiteindelijk de hulp ingeroepen van de kersverse staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen: de latere burgemeester van Amsterdam, Job Cohen. Deze moest bemiddelen en wist zijn minister ervan te overtuigen het driekoppige college van bestuur te ontslaan! Het nieuwe college bestond alleen uit een voorzitter, wat de spanning weghaalde: het werkte vervolgens uitstekend.

College bij Maartje

Binnen de vergelijkende Indo-europese taalwetenschap werd Keltisch steeds belangrijker, en dit wakkerde ook Van Striens interesse aan. Het Oudiers van rond 600-900 n. Chr. kende namelijk grammaticale vormen die je zo naast het Sanskrit van 1000 v. Chr. kon leggen. Daar wou Van Strien wel meer van weten. En dus meldde ze zich eind jaren ’70 bij Doris Edel, docent Keltisch, om aan de hand van Strachans Old Irish Paradigms and Glosses haar eerste lessen Oudiers te nemen. Na een jaar dacht ze “nou, dit hoef ik niet meer”: ze stapte naar prof. dr. Maartje Draak om te vragen of ze het nu verder niet direct bij haar kon leren. En dat mocht, ze had immers al een achtergrond in de andere Indo-europese talen.

“Dat was leuk”, maar na enige tijd stopte Draak met regulier onderwijs – het werd te zwaar om naar Utrecht te komen om college te geven. Vanaf dat moment mocht een klein groepje, waaronder Van Strien, echter bij de professor (voor Van Strien intussen Maartje) thuis, op de Watteaustraat in Amsterdam, langskomen voor college. “Dat was prachtig! Dan moest je een trap op en dan stonden in een gang overal schilderijen – soms in lagen. Je kwam in een kamer en dan was er een grote kast en daar hingen aan knaapjes prachtige Japanse gewaden … Je durfde bijna niet erdoorheen te gaan!” De colleges waren in de achterkamer. Het was een wonderlijke tijd, waarin Draak, die iets met merels had (“die kwamen eten uit haar hand”), naast Oudiers te geven ook op onvergetelijke wijze demonstreerde hoe de merels elkaar waarschuwden en op de hoogte hielden: “daar komt de kat van de buren!”

Reorganisaties

Draak had tijdens het grootste deel van haar tijd als bijzonder hoogleraar Keltisch een dubbele aanstelling gehad: half aan de Universiteit van Amsterdam, half in Utrecht. In 1977 ging ze met emeritaat, maar bleef college geven totdat Edel, die in 1980 promoveerde, haar opvolgde.  In de landelijke bezuinigingsronde ‘Taakverdeling en concentratie’ (1983) werd Keltisch in Utrecht geconcentreerd, en de formatie uitgebreid: naast een literatuurwetenschapper moest er ook een taalkundige komen – “en laat er nu net zo’n mevrouw rondlopen!”. Zo begon Van Striens tijd bij Keltisch dan echt. Dat was ook noodgedwongen, want in dezelfde ronde werden Oosterse talen in Leiden geconcentreerd, en na enkele overgangsjaren verdween het vakgebied uit Utrecht. Dit gebeurde ook met de Klassieke talen. Het waren twee grote klappen. “Dat durf ik in het buitenland nog steeds niet te zeggen, dat ik aan een letterenfaculteit heb gezeten waar je geen Grieks en Latijn meer kon studeren."

Medewerker Keltisch

Ook na haar overstap naar de studie Keltisch – toen nog een bijvak, vooral voor studenten Engels en mediëvistiek – bleef Van Strien een Indo-europeanist. Zowel in praktische zin, want aan haar bestaande leeropdracht als hoofdmedewerker vergelijkende Indo-europese taalwetenschap werd simpelweg de 'Keltische linguïstiek' toegevoegd, maar ook in figuurlijke zin: “Indo-germanisten verbeelden zich altijd dat ze van alles iets weten. Íets, hè, natuurlijk. Je weet van alle Indo-europese talen de achtergrond. En je hebt er dan ook geen moeite mee.” Dit bredere, historische perspectief bracht ze ook altijd mee naar haar colleges. Ze ging steevast terug naar de oorsprong, terug naar het Proto-Indo-europees en de vergelijking met andere, verwante talen. Ook in algemenere zin ageerde ze tegen wat ze ‘verkokering’ noemt en probeerde ze de opleiding Keltisch uit haar isolement binnen de letterenfaculteit te trekken.

Dit laatste deed Van Strien met name door contact te zoeken met de destijds formidabele vakgroep mediëvistiek. Binnen deze vakgroep waren er bijvoorbeeld (met name) neerlandici, maar ook medewerkers Duits en Frans, die zich met de Arthurepiek bezig hielden, en daar kon Keltisch goed aansluiting bij vinden. De raakvlakken zorgden voor een vruchtbare kruisbestuiving en door mee te doen aan themacolleges werden de banden verder aangehaald. Het leverde zelfs enkele publicaties op.

Tegelijkertijd beijverde Van Strien zich ervoor dat Keltisch van een bijvak naar een kopstudie binnen de Algemene Letteren uitgroeide, en uiteindelijk ontwikkelde Keltisch zich tot een volwaardige opleiding binnen de vakgroep Duits-Engels-Keltisch. Haar bestuurservaringen en -posities binnen de letterenfaculteit kwamen haar hierbij goed van pas.

Keltisch met opheffing bedreigd

Maar een volgende klap dreigde in december 1999 toen Edel en Van Strien op gesprek genodigd werden bij de decaan Letteren, prof. dr. Riet Schenkeveld-Van der Dussen. Die wond er geen doekjes om: “Doris, u gaat volgend jaar met pensioen. Leni drie jaar later.” Er zouden geen ontslagen vallen, zijzelf konden gewoon doorgaan tot hun pensioen en daarmee zou de opleiding Keltisch sluiten: de posten zouden niet opnieuw worden ingevuld. En toen dacht Van Strien “dan zal ik het licht uit moeten doen en dat ga ik dus niet doen.”

Toen de Klassieken in 1986 werden afgeschaft was ze nog te jong en “niet handig genoeg”. Toen de Oosterse Talen weg moesten, was ze er ook nog niet klaar voor geweest. Nu wel. Het was ook geen donderslag bij heldere hemel. Van Strien herinnert zich hoe het college van bestuur Oosterse Talen eens ‘de parel in de kroon’ van Utrecht genoemd had – het instituut was internationaal vermaard en trok veel buitenlandse promovendi aan. Op gegeven moment werd dat ineens ook over Keltisch gezegd, waarop Van Strien dacht: “dat is een omineuze uitspraak.” Van Strien, bijgestaan door bestuursleden van de Stichting A. G. Van Hamel, was zodoende voorbereid. Kort tevoren was er een groot, Keltisch congres geweest en daar hadden ze de buitenlandse collega’s al gezegd: “dit wordt moeilijk.” En ze hadden ze ook al geïnstrueerd: stuur de protesten niet naar de faculteit, maar naar het college van bestuur, want daar komen deze bezuinigingen vandaan.

Tijdens de e-mailcampagne kwam Van Striens brede netwerk goed van pas. Ze benaderde iedereen die ze maar kon bedenken “van Tokyo tot weet ik wat!” En opeens kwamen er van over de hele wereld boze brieven binnen bij het college van bestuur: uit Harvard, Oxford, Cambridge, het maakte indruk. Dat de naam van die kleine opleiding Keltisch in het buitenland zozeer iets betekende, dat een sluiting zó’n wereldwijde reactie zou opleveren, had men geenszins verwacht. Het college gaf ten slotte opdracht aan de faculteit om het besluit terug te draaien, Keltisch mocht blijven. En sterker nog, de hoogleraarspositie werd van 0,7 fte uiteindelijk een voltijds aanstelling, met een geoormerkt budget zodat vaste stafleden aangetrokken konden worden.  

Het momentum dat was gecreëerd moest wel vastgehouden worden. Van Strien bleef nog een jaar lang na haar pensioen in 2003 doorgaan, om zo ook de moeilijke overgang naar het Bachelor-Master systeem in goede banen te leiden. Hierin werd ze bijgestaan door dr. Erik Kooper van Engels, en kwam op haar verzoek prof. dr. Anders Ahlqvist geregeld uit Galway over om colleges te geven. Er moest ook nog een goede opvolger voor Edel gevonden worden. Van Strien was zelf niet beschikbaar geweest, want dan hadden ze na haar pensioen weer een kans gehad om de leerstoel oningevuld te laten. Dat zou vragen om moeilijkheden zijn geweest. Nee, de nieuwe hoogleraar moest een gerenommeerd taalkundige zijn, vond Van Strien, die de opleiding kon bestendigen. Het werd de vergelijkend taalwetenschapper Peter Schrijver, sinds 2005 hoogleraar.[1] Ze is bijzonder te spreken over hoe hij zich al snel in het bestuur heeft weten op te werken (eerst als onderwijsdirecteur en nu als vice-decaan onderwijs). Op de vraag of het niet spijtig is dat hij nauwelijks les meer geeft, is ze stellig: ja, dat is spijtig, maar hij houdt zo wel zijn opleiding open. Dat is het belangrijkste. Dat er mensen zijn die het vak bedrijven.

Van Strien zelf was echter nog niet uitgespeeld, want kort na haar pensioen werd ze benaderd door de Stichting A. G. Van Hamel met de vraag of ze niet beschermvrouwe van de stichting wilde worden. Dit was op voorspraak van Ahlqvist, die na tien jaar als beschermheer wilde stoppen. Van Strien was aanvankelijk sceptisch: “hier zat geen keltoloog”. Ze ried het bestuur van de Stichting aan toch maar eens met Ahlqvist te gaan praten. Dat bleken ze dus echter al te hebben gedaan en die was heel stellig geweest: Leni was hét gezicht van Keltisch in Nederland. Ze ging akkoord en is nu alweer sinds 2005 onze beschermvrouwe. 

De toekomst?

Inmiddels tachtig, ziet Van Strien de toekomst van het vakgebied, na een loopbaan getekend door sluitingen en eindes, somber in. Het vak is zondermeer bedreigd, maar dat geldt tegenwoordig helaas voor alle letterenstudies. Een wezenlijk obstakel ziet ze ook, terugblikkend op haar eigen laatste jaren bij de opleiding, in het gevaar van de inhoudelijke isolatie van Keltisch binnen de faculteit Geesteswetenschappen. Tegenwoordig is immers ook de eens zo imposante vakgroep Mediëvistiek grotendeels weggevallen. Dat maakt je kwetsbaar.

En daarmee eindigde dit uitvoerige interview, waarin Van Strien een beeld wist te schetsen van een verdwenen universitair landschap. Dat Keltisch, waar zoveel andere, grotere opleidingen sneuvelden, nog altijd bestaat, mag een klein wonder heten. Een wonder waar, het moge duidelijk zijn, ook Van Strien een wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd. Ondanks alle hobbels naderen we intussen de mijlpaal van honderd jaar Keltisch in Utrecht, in 2023. Het zal dan een eeuw geleden zijn dat Van Hamel benoemd werd tot hoogleraar – Oudgermaans, maar met, op zijn expliciete verzoek, Keltisch erbij. De geschiedenis van een opleiding is een verhaal van mensen en met dit interview hopen we daar een klein stukje van te hebben kunnen vereeuwigen. En wat de toekomst brengt? Wie zal het zeggen! Maar laten we net als Leni van Strien waakzaam blijven, zodat we uiteindelijk ook een volgende bedreiging zullen zien aankomen en deze het hoofd kunnen bieden.

Eindnoten

Prof. Schrijver blikte zelf eerder in Kelten 79 al terug op de jaren sinds hij hoogleraar is geworden in zijn stuk Opleiding Keltische talen en cultuur: niet ondood, maar eeuwig jong.

Vorige bijdrage
Ierse kennis in middeleeuws Sankt Gallen?
Lenneke van Raaij
9 september 2019
Volgende bijdrage
Publicatieoverzicht van Nederlandse keltologen in 2018
Dennis Groenewegen
12 augustus 2019