Een bloemlezing van codewisseling

From Kelten
k82-2020-jongeleen-recensie-code-switching-meertaligheid-in-ierland
82

Gepubliceerd: 17 februari 2020
Een bloemlezing van codewisseling
Sanne Jongeleen


recensiecode-switchingmeertaligheid in Ierland
Title (EN): An anthology of code-switching
Abstract (EN):

"Code-switching in medieval Ireland and England: proceedings of a workshop on code-switching in the medieval classroom" offers a collection of articles on historical cases of code-switching, as preserved in manuscripts from the period. Its six articles are based on papers that were presented at a workshop on code-switching in 2015, organised by the research project "Bilingualism in Medieval Ireland" in Utrecht. Each author treats a different aspects of code-switching, resulting in a fine and varied selection of scholarship on the topic. Well worth a read!

Ó Flaithearta, Mícheál en Lars Nooij (red.), Code-Switching in Medieval Ireland and EnglandProceedings of a workshop on code-switching in the medieval classroom, Utrecht 29th May, 2015, Münchner Forschungen zur historischen Sprachwissenschaft (MFhS), band 18 (Bremen 2018), Hempen Verlag. 134 pp., ISBN 978 3 944312 54 5, gebonden, €28,-.

Toen ik in mei 2015 als student Keltische talen en cultuur luisterde naar de lezingen over codewisseling (of code-switching: het tussen twee of meerdere talen wisselen door een spreker binnen de context van één talige uiting of ‘gesprek’) tussen Iers/Engels en Latijn in middeleeuwse teksten, had ik niet kunnen voorspellen dat ik ze jaren later in boekvorm nog eens in handen zou hebben. De workshop waarbinnen die lezingen werden gegeven werd georganiseerd in het kader van het onderzoeksproject van de opleiding en was getiteld: ‘Bilingualism in Medieval Ireland’. Dat alleen al was voor mij genoeg reden om de workshop bij te willen wonen, ook al wist ik niet bijster veel over codewisseling en was ik lichtelijk geïntimideerd door het idee om voor het eerst wetenschappelijke lezingen bij te wonen. Achteraf had ik me daar totaal geen zorgen om hoeven maken: de meeste lezingen waren niet alleen goed toegankelijk, maar vormden samen een leerzaam geheel, met een aantal ronduit vermakelijke momenten. En dat is terug te vinden in dit boek.

De verschillende invalshoeken

Vrijwel alle artikelen beginnen met een toelichting van de gehanteerde begrippen en geven aan welke kaders gebruikt worden, alvorens te starten met de argumentatie, waardoor het de lezer snel duidelijk wordt wat het vertrekpunt van de artikelen is. Al lezende merk je dat er – ook al wordt dit niet zo expliciet gesteld – sprake is van een door alle auteurs gedeelde kijk op codewisseling. Zo wordt voor codewisseling niet de traditionele definitie aangehouden die vrijwel uitsluitend op mondelinge codewisseling van toepassing is, maar wordt het ook betrokken op geschreven taaluitingen. Daarnaast is het uitgangspunt dat het wisselen tussen het Iers/Engels en Latijn of vice versa geen onkunde van de schrijver is, waarbij verondersteld zou worden dat tussen talen gewisseld wordt als de schrijver niet meer weet hoe hij iets in de ene taal moet zeggen, maar juist blijk geeft van de enorme deskundigheid en taalbeheersing van de middeleeuwse scribent.

Michael Clarke opent het boek met een artikel waarin hij vormen van afwisselend Iers en Latijn in verschillende teksten uit de tweede helft van de elfde eeuw onderzoekt en zich afvraagt wat de functie daarvan is. Hij beschouwt codewisseling in teksten als Bethu Brigte ‘het (heiligen)leven van (Sint) Brigit’ als een essentieel onderdeel van een soort nauw met de kerk verbonden Kunstsprache. Maar daarnaast ziet hij codewisseling ook bij wijze van leeswijzer in onder meer de Táin Bó Cúailgne ‘de Runderroof van Cooley’, bedoeld om bijvoorbeeld directe rede te introduceren of opmerkingen van de auteur over het verhaal te onderscheiden van het lopende verhaal (geen overbodige luxe als je bedenkt dat leestekens in middeleeuwse handschriften een stuk schaarser waren dan tegenwoordig het geval is).

Alan Fletcher bekijkt de codewisseling die plaatsvindt in de 15de-eeuwse preken van de Benedictijn Hugh Legat, waarin steeds in hoge mate tussen het Engels en Latijn gewisseld wordt. Fletcher vraagt zich af of de preken in de collectie een verslaglegging van daadwerkelijke preken vormen, oude voorbereidingen op preken zijn, of zelfs nooit bedoeld zijn geweest om daadwerkelijk aan een luisterend publiek op te dragen. Hij vermoedt dat het derde scenario de meest waarschijnlijke hypothese is en onderbouwt dit vermoeden op ongebruikelijke wijze: met de resultaten van een experiment dat hij tijdens de lezing uitvoerde. Hij droeg toen een gelijksoortige codewisseling van Latijn en Engels voor en vroeg het publiek of ook maar íémand het begrepen had. Dat leverde een eensgezinde ‘nee’ op, maar interessant genoeg bleek het voor datzelfde publiek geen enkel probleem om de tekst lezend te begrijpen. Fletcher neemt daar dan ook uit weg dat er een wezenlijk verschil zit in het begrijpen van geschreven codewisseling en gesproken codewisseling, en dat Hugh Legat in zijn collectie preken geen toehoorders maar lézers als publiek voor ogen moet hebben gehad.

Vervolgens is het de beurt aan Tom ter Horst en Nike Stam, de twee promovendi binnen het Utrechtse onderzoeksproject. Ter Horst schrijft over de taalkundige eigenschappen van de Ierse homilieën in de Leabhar Breac in vergelijking met andere Ierse en Engelse homilieën. Hij concludeert dat de wijze van codewisseling in de Ierse en Engelse homilieën zeer gelijksoortig is en mogelijk getuigt van een onderliggende geleerde traditie, hoewel de precieze vorm van codewisseling varieert tussen teksten en auteurs. Stam onderzoekt in haar zeer prettig leesbare artikel of de codewisseling die zij tegenkomt in de Félire Óengusso ‘de martyrologie van Óengus’ een bewuste keuze kan zijn geweest van de auteur of een onbewuste uiting is van zijn tweetaligheid. Modern onderzoek over codewisseling in informeel geschreven taalgebruik op bijvoorbeeld internetfora lijkt uit te wijzen dat – ondanks dat geschreven taal altijd een wat bewustere taaluiting is dan de gesproken vorm – het wel degelijk een onbewust resultaat kan zijn. Stam beargumenteert dat de glossen (kleiner geschreven opmerkingen, uitleg of uitweidingen op de hoofdtekst die tussen de regels of in de marge van een tekst geschreven werden) wel eens eenzelfde informele context zouden hebben kunnen bieden, waarbinnen codewisseling (ook) onbewust optrad en volledig geaccepteerd werd.

Mícheál Ó Flaithearta merkt in zijn artikel op dat het in de Apgitir Chrábaid ‘het alfabet van vroomheid’ (gedateerd tot de 7e/8e-eeuw) juist zeer opvallend is dat er absoluut geen codewisseling optreedt, terwijl het in een periode vervaardigd is waarin dit juist gebruikelijk was. Ó Flaithearta betoogt dat dit komt omdat de auteur heel specifiek de keuze maakte een tekst te schrijven voor jonge monniken, waarbij de tekst vooral bedoeld was voorgelezen te worden, eerder dan gelezen. Om de jonge monniken de noodzakelijke beginselen van hun roeping bij te brengen, koos de auteur er volgens Ó Flaithearta voor om hiervoor hun moedertaal te gebruiken.

Anthony Harvey’s artikel sluit het boek af met een levendige, weer andere kijk op codewisseling: hij vraagt zich met de nodige dosis humor af wat nu eigenlijk de precieze vorm van de talen waren waartussen gewisseld kon worden. In tegenstelling tot gebruikers van het Latijn op het vasteland, werd Latijn door de Ieren enkel als tweede taal geleerd. Harvey maakt aannemelijk dat je dat kunt terugzien in het Hiberno-Latijn door onder andere de manier waarop ze omgingen met neologismen: niet belemmerd door een dialectvorm van het Latijn die hen een passend nieuw woord zou geven, konden de Ieren op inventieve wijze nieuwe woorden samenstellen. Dat ging zelfs zo ver dat het een spel werd, waarin opzettelijke misinterpretatie een van de mechanismes werd waarmee een nieuw woord gemaakt kon worden. Dat de codewisseling van de Ieren plaatsvond tussen twee talen van een verschillende aard (met het Iers als moedertaal en het Latijn als tweede taal) zorgt dus voor een opvallend resultaat ten opzichte van het gebruik van Latijn op het vasteland. Of dit echter moet betekenen dat Hiberno-Latijn geen levende taal was, ligt – zo stelt Harvey – dan ook aan degene die het oordeel velt: leefde het monster van Frankenstein?

Het boek als geheel

De meeste artikelen zijn er in mijn beleving goed in geslaagd een heldere weergave van hun definities en argumentatie te geven, ook al heeft iedere auteur duidelijk een eigen stijl en ‘stem’, waardoor de teksten in meer of mindere mate aansprekend geschreven zijn. De inleiding is wel wat aan de korte kant en - buiten een beschrijving van hoe dit boek in het bredere onderzoeksproject past, met een introductie van ieder artikel in één zin - niet heel inhoudelijk. Toch heb ik achteraf niet het gevoel dat termen uit de artikelen beter in de inleiding besproken hadden kunnen worden. Juist omdat iedere auteur zelf de begrippen toelicht, heeft de lezer een goed besef van welke kaders nu precies relevant zijn voor het specifieke artikel.

Om het boek te waarderen en de soms vrij theoretische stukken te blijven volgen is een zekere interesse in dit specifieke onderwerp of een meer algemeen taalkundige interesse vermoedelijk noodzakelijk. Vooral de technische details doen sommige artikelen of delen daarvan wat stroever aanvoelen. Datzelfde geldt voor de stukken onvertaald Latijn die het boek bevat. Hoewel sommige auteurs er duidelijk wel voor gekozen hebben om het Latijn te vertalen – en in ieder geval alle Ierse stukken van een vertaling voorzien zijn – zijn er stukken Latijn en Oudengels in sommige artikelen te vinden die wel een vertaling hadden kunnen gebruiken. Temeer omdat het een lezer zonder achtergrond in het Latijn zal ontgaan waar de codewisseling precies optreedt (of waar de auteur veronderstelt dat het geval is, bij twijfelgevallen), aangezien codewisseling niet altijd expliciet aangeduid wordt. Waar dit wel wordt aangegeven, is dit – duidelijk naar keuze van de auteur zelf – onderstreept of schuingedrukt.

De index helemaal achterin het boek had mijns inziens wat meer aandacht kunnen gebruiken. Hier wordt duidelijk geprobeerd om de belangrijkste begrippen uit de artikelen samen te pakken, maar de keuze voor de begrippen lijkt soms willekeurig. Zo staan alle plaatsnamen die in het hele boek vermeld worden erin opgenomen, ook als de plaatsnaam slechts één keer voorkomt als onderdeel van een naam (zoals Colmán ua Cluasaig of Cork) en die persoonsnaam ook al afzonderlijk in de lijst is opgenomen. Ook is het niet altijd gemakkelijk een bekend begrip terug te vinden: alle handschriften zijn bijvoorbeeld bijeengebracht onder het kopje 'manuscripts' en alle teksten onder 'texts', waardoor iemand die de index alleen als naslagwerk zou willen gebruiken verder moet zoeken dan waar diegene wellicht toe geneigd is.

Desalniettemin is het resultaat erg mooi geworden. Op de kaft prijkt een prachtige afbeelding van een bladzijde uit de Leabhar Breac met een deel van Félire Óengusso, die daarmee de focus op handschriften helder uitbeeldt. Dit boek slaagt goed in zijn doel verschillende aspecten van codewisseling uit te lichten en te bespreken, waarbij auteurs soms op elkaar voortbouwen en soms elkaar aanvullen, zonder onnodig in de herhaling te vallen. Al met al beschouw ik dit boek dan ook een passend sluitstuk van de lezingen, door met de gebundelde artikelen een mooi palet aan verschillende vormen en zienswijzen van codewisseling in middeleeuws Ierland en Engeland te vormen.



Vorige bijdrage
Breton manuscripts and the transmission of computus between the Celtic West and the Carolingian Empire
Jacopo Bisagni
15 maart 2020
Volgende bijdrage
De triade van Maartje Draak
Nike Stam
30 maart 2020