Ulidia 4

From Kelten
k81-2019-nuyten-ulstercyclus
81

Gepubliceerd: 16 december 2019
Ulidia 4
Anouk Nuyten


RecensieUlstercyclusUlidia
Title (EN): Ulidia 4
Abstract (EN):

This fourth edition of Ulidia contains a selection of the papers delivered at the International Conference on the Ulster Cycle of tales, which took place in Belfast in June of 2013. The eleven contributions are concerned with a wide variety of themes within the Ulster Cycle, and topics range from the tracing of these tales in Irish legal material to the analysis of character descriptions. Although this volume contains fewer contributions than previous editions, the same level of quality is maintained. With more space, the authors can afford to elaborate and expand on their arguments. Most striking in this edition is the emphasis on the role of women in the Cycle, to which three articles are dedicated. Because the collection of articles presents different approaches and interpretations of the Ulster Cycle of tales, the conclusions reached by the individual authors do not always agree with each other, so it is up to the reader to critically assess each contribution. Above all, this newest edition of Ulidia constitutes a valuable contribution to the study of the Ulster Cycle of tales and offers plenty of new insights, proving that there is much more that can be said about this material. 

Ó Mainínn, Mícheál B. en Gregory Toner (red.), Ulidia 4: Proceedings of the fourth international conference on the Ulster Cycle of tales (Dublin 2017). Four Courts Press. 264 pp., ISBN 978 1 84682 631 3, gebonden, €45,-.

In juni 2013 vond de vierde editie van Ulidia, ofwel de International Conference on the Ulster Cycle of Tales, plaats aan Queen’s University te Belfast. Naar aanleiding van deze conferentie is de bundel Ulidia 4 gepubliceerd, die een selectie bevat van papers die aldaar zijn gepresenteerd. Wat meteen opvalt is dat deze editie weer beduidend minder artikelen bevat dan zijn voorgangers. Dit was al het geval in Ulidia 3, en de trend is hier verder doorgezet. Maar minder kwantiteit betekent niet per definitie minder kwaliteit, wat de bijdrages in dit boek bewijzen. De elf artikelen behandelen uiteenlopende aspecten van de verhalen die geassocieerd worden met de Ulstercyclus, van sporen van deze verhalen in de wetteksten tot de interpretatie van de beschrijvingen van personages.

Het boek opent met Fangzhe Qiu’s artikel over de relatie tussen Oudierse wetteksten en de verhalen uit de Ulstercyclus. Alhoewel men al langer op de hoogte is dat er associaties bestaan tussen de bekendere verhalen en de wetten, zijn er ook verwijzingen in de juridische teksten te vinden naar de wat meer obscure verhalen uit de Ulstercyclus. Sommige van deze verhalen danken hun bestaan aan deze anekdotes, omdat ze niet op andere manieren zijn overgeleverd en buiten de juridische traditie geheel verloren zijn gegaan. Grondig onderzoek op dit gebied is tot dusver nog bijna niet verricht, en het belang van Qiu’s bijdrage ligt dan ook in het zetten van de eerste stappen in dit nog grotendeels onbetreden onderzoeksterrein.

Hierna volgt David Stifters bijdrage over mogelijke banden tussen de regio Ulster en verhalen die stonden in Cín Dromma Snechtai (CDS), een verloren manuscript uit de achtste eeuw. Stifter onderzoekt verschillende externe en interne connecties tussen CDS en Ulster. Zo oppert hij dat het manuscript mogelijk in het klooster te Bangor is geproduceerd, een plek die geassocieerd wordt met de bevolkingsgroepen Dál Fiátach en Dál nAraidi, die zich beide als nazaten van de Ulstermannen presenteerden. Dit is een interessant voorstel, maar helaas zijn de verdere connecties met CDS die Stifter tracht te achterhalen uit de teksten zelf niet erg sterk. Zo stelt hij bijvoorbeeld dat veel verhalen als thema het oversteken van water hebben, wat goed past bij een klooster aan de zee. Hij geeft toe dat dit op vele plaatsen een populair thema was, wat dit argument weinig steekhoudend maakt. Al met al komt Stifter met interessante suggesties, maar blijven de meesten vrij speculatief en soms wat vergezocht.

Britta Irslingers artikel over Medb valt in het bijzonder op, met name vanwege de lengte: deze bijdrage telt maar liefst meer dan vijftig pagina’s. Irslinger bestudeert de theorie dat koningin Medb van Connacht van origine een godin van soevereiniteit was. Hiervoor richt ze zich op de etymologie van de naam Medb en de studie van de rituelen die met haar verbonden geweest zouden zijn. Het resultaat is een uitgebreide behandeling van alle studies die tot op heden verricht zijn over Medb. Hoewel dit een zeer indrukwekkend overzicht van secundaire bronnen oplevert, zou Irslingers onderzoek mogelijk meer profijt kunnen hebben gehad van een kortere en meer kritische discussie van bestaand onderzoek, en een sterkere focus op de analyse van de primaire bronnen. Irslinger concludeert dat Medb inderdaad mogelijk een soevereiniteitsgodin zou kunnen zijn geweest, maar dat er niet voldoende bewijs is overgeleverd. Hoewel niet onverwacht, is dit resultaat toch enigszins teleurstellend, en dit is mogelijk te wijten aan het gebrek aan nieuwe bronnen om te analyseren.

Sharon Arbuthnot bekijkt het gebruik van gebaren in een aantal verhalen uit de Ulstercyclus. Waar ze in haar bijdrage in Ulidia 3 het beetpakken van oren besprak, richt ze zich hier op het vastpakken van de wangen in combinatie met een waarschuwing voor ongeluk. Door scherpe analyse van soortgelijke uitdrukkingen die vaak in combinatie met dit gebaar voorkomen in bronnen zoals het Dictionary of the Irish Language, slaagt Arbuthnot erin om de ontwikkeling en connotaties van dit gebaar te achterhalen. Ze concludeert dat dit gebaar betrekking heeft op iemands eer. Het refereren aan potentieel onheil waarschuwt over de gevolgen die een actie kunnen hebben op iemands eer en is bedoeld om iemand aan te zetten tot een positieve actie.

Opvallend in deze editie is met name de focus op de rol van vrouwen. Tatyana Mikhailova neemt verschillende beschrijvingen van vrouwelijke personages onder de loep en concludeert dat wanneer een vrouw expliciet wordt geïntroduceerd en beschreven, dit een slechte en supernatuurlijke vrouw betreft. Wanneer er geen beschrijving is, wat vaak voorkomt bij vrouwen uit Connacht en Ulster, is de vrouw in kwestie sterfelijk en goed. Deze theorie zet ze vervolgens in een schema, geleend uit de linguïstiek, waarin ze communicatie verdeelt in inhoud en uitdrukking. Het nadeel van deze benadering is dat de analyse van de rol van de vrouw niet meer voortkomt uit een studie van de tekst, maar wordt geleid door het structuralistische patroon dat is opgesteld. Zo neemt Mikhailova niet in overweging dat de vrouwen uit Connacht en Ulster mogelijk niet in detail worden beschreven omdat het publiek bekend was met deze karakters, terwijl de bovennatuurlijke vrouwen vaak maar in één verhaal voorkomen, en daarom een introductie behoeven. Ter conclusie stelt Mikhailova dat het gebrek aan uiterlijke beschrijvingen van vrouwen mogelijk te verklaren is omdat de teksten geschreven waren door mannen, voor mannen.

Mikhailova’s conclusie botst enigszins met Gregory Toners lezing van het verhaal Serglige Con Culainn ‘Het Ziekbed van Cú Chulainn’. Het overgeleverde verhaal bestaat uit twee aparte versies die ooit zijn samengevoegd, wat heeft geleid tot overlap, incongruentie en herhalingen. Toner toont aan dat literaire technieken als inversie en parallellisme in beide helften voorkomen. Parallellisme wordt gebruikt om vergelijkingen te maken tussen de mannelijke en vrouwelijke personages, en om verschillende contrasterende en aanvullende koppels op te zetten binnen het verhaal. Joanne Findon heeft al eerder beargumenteerd dat dit verhaal de traditionele normen en verwachtingspatronen ondermijnt. Toner stelt verder dat de inversie van de natuurlijke orde centraal staat en dat dit het traditionele rollenpatroon van zowel de mannen als de vrouwen beïnvloedt. Wat hierbij met name opvalt is de rol van de vrouwen, die niet alleen trouw zijn aan hun echtgenoten maar deze ook adviseren en motiveren, wat volgens hem mogelijk wijst op een (deels) vrouwelijk publiek.

Ook Joanne Findon bestudeert de relaties tussen bovennatuurlijke vrouwen en sterfelijke mannen in drie middeleeuwse Ierse verhalen (Serglige Con Culainn, Noínden Ulad en Tochmarc Becfhola). Ze richt zich met name op de rol van de focalisatie van het verhaal, wat neerkomt op het idee dat het perspectief van de verteller onze interpretatie van een verhaal beïnvloedt. Door de focalisatie in deze verhalen te bestuderen, trekt Findon de standaard aannames over gender en publiek in twijfel. Ze beargumenteert dat door de focalisatie in deze verhalen bij de vrouwen te leggen, het stereotype beeld van de bovennatuurlijke vrouw als lustobject en mogelijke brenger van onheil wordt ondermijnd. In alle drie de gevallen blijkt de sterfelijke man geen geschikte partner voor de bovennatuurlijke vrouw, wat volgens Findon mogelijk een vrouwelijk publiek probeerde te leren dat het hebben van een vrije partnerkeuze niet noodzakelijk een gelukkig huwelijk betekende. Door ervaringen vanuit het vrouwelijke perspectief te beschrijven, wordt het publiek aangestuurd om compassie te hebben voor deze vrouwen in hun zoektocht naar liefde.

Martina Maher onderzoekt de status van het verhaal De Gabáil int Sída (‘Over het Nemen van de Síd’) als rémscél (letterlijk ‘voor-verhaal’) van Táin Bó Cúailnge (‘De Runderroof van Cooley’). Eén van haar hoofdargumenten berust op het gebruik van ‘verbaal bedrog’ (verbal deceit) door de hoofdpersonen van beide verhalen. Ook bekijkt ze de verschillende versies van het verhaal, en verklaart dat deze probleemloos naast elkaar konden bestaan binnen dezelfde tijdsperiode omdat ze tot verschillende verhalencycli behoorden. Hoewel dit laatste punt interessant en goed beredeneerd is, berust Mahers conclusie over de status van het verhaal als rémscél vooral op het idee van verbaal bedrog, en zijn haar andere argumenten minder sterk.

Patricia Ronan en Gerard Schneider gebruiken stylometrische analyse om de handen in Lebor na hUidre (‘Boek van de Bruine Koe’), wat veel verhalen uit de Ulstercyclus bevat, te analyseren. Elizabeth Duncan heeft in 2015 beargumenteerd dat één van de drie handen (H), die verantwoordelijk is voor vele latere interpolaties, in werkelijkheid bestaat uit zes verschillende handen. Door het gebruik en de frequentie van functiewoorden zoals voorzetsels te analyseren, pogen Ronan en Schneider om Duncan’s theorie te testen, en mogelijk auteurschap van de verhalen te bepalen. Het resultaat is helaas niet doorslaggevend, maar de analyse wijst er wel op dat de twee kopieën van Immram Curaig Maíle Dúin (‘De Reis van Máel Dúin’) mogelijk dezelfde brontekst hadden. De verschillen tussen de twee kopieën van Togail Bruidne Dá Derga (‘De Verwoesting van Dá Derga’s Herberg’) zouden te wijten kunnen zijn aan verschillende bronteksten, of invloed van de schrijver. Bovenal benadrukken Ronan en Schneider met dit artikel dat verder stylometrisch onderzoek nodig is.

Het boek sluit af met twee bijdrages over plaatsnamen in de Ulstercyclus. Kay Muhr traceert de invloed van de Noordelijke Uí Néill en de latere Ó Néill dynastie op plaatsnamen in de verhalen. Dit artikel is het derde in een reeks waarin Muhr de ontwikkeling bestudeert van het idee dat de verzonnen koning Rudraige van Lebor Gabhála Érenn (‘Boek van de Invasies van Ierland’) de legitieme voorouder was van de helden uit de Ulstercyclus, en hoe de Uí Néill dit als rechtmatige claim voor hun heerschappij over Ulster gebruikten. Aan de hand van de veranderende politieke geografie van Ulster in de verhalen demonstreert Muhr hoe deze claim zodanig werd geïntegreerd in de bronnen dat deze claim tot de prehistorie teruggebracht werd. Mícheál B. Ó Mainnín bestudeert in zijn bijdrage de plaatsnaam Óenach Macha en diens associatie met Emain Macha, het centrale fort van Ulster. Het verhaal Noínden Ulad (‘De Zwakheid van de Ulidianen’), waarin de vrouw Macha racet tegen de paarden van de koning, wordt traditioneel beschouwd als de verklaring voor deze plaatsnaam. Ó Mainnín laat echter zien deze uitleg alleen in één versie is te vinden, waarvan Toner bovendien heeft beargumenteerd dat dit een latere toevoeging betreft. Aan de hand van het nauwkeurig bestuderen van de verschillende tradities stelt Ó Mainnín vast dat Óenach Macha afwezig is in vele verhalen uit de Ulstercyclus en mogelijk later in de traditie is geïntroduceerd.

Ondanks dat Ulidia 4 minder bijdrages bevat dan de eerdere publicaties, zijn de artikelen beduidend langer, wat de auteurs de kans geeft om hun argumenten verder uit te werken. Hoewel dit over het algemeen leidt tot sterkere bijdrages – zo kan Muhr in detail alle relevante plaatsnamen analyseren – levert Irslingers artikel ondanks deze extra ruimte weinig nieuwe inzichten op. Opvallend is dat de conclusies van de verschillende bijdrages sterk kunnen verschillen: Findon en Toners ideeën over het publiek van de verhalen staan zo goed als lijnrecht tegenover die van Mikhailova. Dit is kenmerkend voor dit boek: het is een verzameling van verschillende benaderingen en interpretaties van de verhalen van de Ulstercyclus, waar het één het ander niet uitsluit. Het is aan de lezer zelf om kritisch elke bijdrage te lezen en zelf te oordelen. Bovenal biedt deze diverse verzameling artikelen meer dan voldoende nieuwe inzichten, wat bewijst dat het laatste woord over deze Ierse sagen zeker nog niet is gesproken. Al met al vormt deze editie van Ulidia dan ook weer een waardevolle bijdrage voor de studie van de Ulstercyclus.



Vorige bijdrage
Ovidius in middeleeuws Wales
Lars Nooij
18 november 2019
Volgende bijdrage
Identiteit, gender, glazen armbanden en kaneel: het Keltisch Colloquium 2019
Lian Blasse
4 november 2019