‘Het laat je niet los’ – Bart Jaski

From Kelten
k81-2019-nooij-bart-jaski-interview-keltische-talen-en-cultuur-conservator-handschriften
81
Gepubliceerd: 30 december 2019
‘Het laat je niet los’ – Bart Jaski
Lars Nooij


Bart JaskiInterviewKeltische Talen en CultuurConservator handschriftenhandschriften
Title (EN): Interview with Bart Jaski
Abstract (EN):

Having studied the Vikings in Ireland in Groningen and having worked on succession and Irish (high) kingship in Cork and Dublin before becoming responsible for the large collection of manuscripts in Utrecht, one of our very own editors - Bart Jaski - has had a very dynamic and interesting career. Formerly a lecturer for Celtic Studies in Utrecht, who helped keep the department alive during the early 2000s, he now works as keeper of manuscripts at the Utrecht University Library. In this interview, Bart Jaski reflects on his career thus far in light of an ever-changing academic field, which eventually led him to his current position, as well as his continued involvement in Celtic Studies in the Netherlands.

600px-Img-487-1574074896.png

Foto door Maartje ter Horst

Normaal houden we vooral interviews met mensen van buiten de redactie, maar in het kader van het themajaar handschriften kon een gesprek met ons eigen redactielid Bart Jaski, tevens alweer twaalf jaar conservator handschriften en oude drukken bij de Universiteitsbibliotheek Utrecht, natuurlijk niet uitblijven. Wat doet een conservator tegenwoordig eigenlijk? En hoe wordt nu juist een keltoloog uiteindelijk beheerder van één van de grootste collecties middeleeuwse handschriften in Nederland? Om die laatste vraag te beantwoorden moeten we terug naar het begin, en gezeten tussen de boeken in zijn kantoor op de afdeling Bijzondere Collecties blikken we terug op de bewogen carrière van een historicus die gegrepen werd door de keltologie: “het laat je niet los.”

Geschiedenis in Groningen

Bart Jaski’s academische leven begon toen hij in 1983 in Groningen geschiedenis ging studeren. Na een algemene introductie, specialiseerde hij zich in de Middeleeuwen. “Dat was niet met een voorbedacht plan … Ik vond alles eigenlijk wel een beetje leuk.” Hij had toen al wel een interesse ontwikkeld voor de Noorse sagen, mede dankzij een vroege liefde voor fantasy-literatuur, en schreef zich in voor een cursus van de mediëvist Richard Vaughan over de Vikingen. “Dat vond ik natuurlijk helemaal geweldig. Van die wilde mannen!” De charme van het vak zat hem, naast het onderwerp, echter ook duidelijk in het feit dat Vaughan er zelf eigenlijk niet zoveel van af wist. Meestal kreeg je colleges van experts op een specifiek gebied en dan had je “nooit het idee van, ik kom met wat nieuws.” De docent wist alles al. Bij deze cursus was dat anders. Vaughan behandelde de stof met de scherpzinnige blik van een historicus, maar leerde in feite mét de studenten de periode kennen. Dat was verfrissend.

Deze cursus zou ook Jaski’s eerste aanraking met de middeleeuwse Kelten blijken te zijn: het ging namelijk ook over de Vikingen in Ierland. En dat beviel; in Jaski’s eigen woorden: “daar kwamen de barbaren de barbaren tegen … [en] al die vreemde namen en al die gekke toestanden die daar aan de gang waren” spraken hem aan. Het sloot ook naadloos aan op een eerdere interesse: Jaski had namelijk al eens in een bundel het verhaal De Grijze God[1] gelezen, geschreven door Robert Ervin Howard, bekend van Conan the Barbarian. Dit verhaal was in feite een fantasy-bewerking van de Slag bij Clontarf – de beroemde veldslag waarin de Ierse koning Brian Boru de Vikingen versloeg in 1014 – waarin Oudnoorse en Ierse vertellingen over die slag bij elkaar gebracht waren. Dat had hij altijd al een prachtig verhaal gevonden en nu besloot hij er een presentatie over te geven.

Vanaf dat moment was Jaski gegrepen. Hij besloot ook zijn doctoraalscriptie over de Vikingen in Ierland te schrijven, met Vaughan als begeleider. Na zijn doctoraal wilde hij er alleen nog maar meer over weten en via Vaughan kwam hij in contact met Donnchadh Ó Corráin, die hem enthousiast aanmoedigde te proberen een beurs te krijgen om een jaar in Cork te komen studeren – en hem terloops vertelde dat er ook een opleiding Keltisch in Utrecht was. Dat was de eerste keer dat Jaski hiervan hoorde.

Ierse jaren

Jaski was toen echter al vastbesloten: hij wou naar Ierland, naar het land waar ooit de Vikingen en de Ieren elkaar getroffen hadden en waar de bronnen waren. “Ik heb een fantastisch jaar gehad [in Cork]”, waarin hij veel nieuwe dingen leerde – naast geschiedenis ook zaken als Middeleeuws Latijn en paleografie, al bleven de handschriften toen nog slechts in de marge. Voor zijn MPhil (dwz. éénjarige Master) schreef hij wederom een scriptie over de Vikingen in Ierland, maar nu toegespitst op de wisselwerking tussen de Vikingen en het Ierse hoge koningschap van Tara, van de Uí Néill. Het was een mooi werkstuk, waarmee hij een first honours – het equivalent van cum laude – verdiende.[2]

Na dit succes had Jaski de smaak te pakken en wist hij: “hier wil ik in doorgaan.” Er volgde een tussenjaar, waarin hij – terug in Nederland – in Utrecht colleges Oudiers volgde bij Leni van Strien en Doris Edel. Het fascineerde hem hoe de Ierse koningshuizen en dynastieën opkwamen en weer uit elkaar vielen, en hij wilde de bronnen zelf kunnen lezen. “Dus in feite ging ik van de Vikingen helemaal naar Ierland toe, als het ware, en de Vikingen werden slechts bijzaak.”

Een jaar later, in 1990, keerde hij als promovendus terug naar Ierland, ditmaal naar Trinity College Dublin. Het collegegeld werd hem kwijtgescholden, maar verder moest hij om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien flink bijklussen. Naast het geven van werkcolleges en het surveilleren van tentamens kwam hij ook voor het CURIA-project (Cork University Royal Irish Academy) te werken, wat een paar jaar later werd omgedoopt tot het nog altijd veelgebruikte CELT (Corpus of Electronic Texts).[3] Hij scande er teksten voor in, waarna de computer de letters probeerde te herkennen, maar omdat het allemaal in Iers schrift gedrukt was, moest hij er vervolgens handmatig nog veel aan verbeteren. Tegenwoordig is OCR (Optical Character Recognition) gemeengoed in de digitale wereld, maar destijds stond het nog in de kinderschoenen.

Ondertussen werkte Jaski aan zijn proefschrift onder Katharine Simms. “Ik had geluk dat zij mijn leermeester was.” Jaski benadrukt dat het veld destijds sterk in kampen verdeeld was, maar dat zij in wezen met iedereen goed overweg kon. Bovenal roemt hij haar interventie toen hij naar eigen zeggen “een beetje werd meegesleurd door [het idee dat je] andere mensen de grond in moest duwen om er zelf beter uit te komen.” Zij heeft hem toen teruggefloten. Blijf bij de feiten en houd het gewoon objectief en vriendelijk, daar bereik je uiteindelijk het meeste mee. “Die raad heb ik mij wel ter harte genomen.”

Enkele jaren later promoveerde hij op successie en het Ierse koningschap, waar later ook een boek uit is voortgekomen.[4] De Vikingen waren intussen uit beeld verdwenen.

Terug in Nederland

“Ik beschouw Ierland nog steeds als mijn tweede moederland om het zo te zeggen.” Jaski voelde zich enorm thuis in Ierland en genoot ervan om er juist als buitenlander van het leven te mogen proeven. Nederland voelde in vergelijking maar gewoontjes. Toch begon hij het na vijf jaar wel te missen. Het is toch ver weg van familie, en ook zijn vriendin, nu zijn vrouw, was in Nederland gebleven. En hij was ook eigenlijk wel een beetje uitgekeken op Ierland. Vooral het academische klimaat stond hem tegen: het kleine cirkeltje waarin je je in feite bewoog, voelde wat verstikkend. En dus kwam Jaski eind jaren negentig na zijn promotie terug naar Nederland, waar hij verder zou blijven wonen.

Niet dat het werk daar voor het oprapen lag: “Niemand zat op mij te wachten natuurlijk.” Hij kwam echter in contact met de Utrechtse mediëvisten Rob Meens en Mayke de Jong en kon via laatstgenoemde even later aan de slag bij het Nationaal Archief in Den Haag. Twee jaar later begon hij in Utrecht als postdoc in het project van De Jong, Text and identities. Een welkome gelegenheid om weer wat publicaties op zijn naam te krijgen.

Toen Doris Edel vervolgens in 2002 met emeritaat ging, werd Jaski door Leni van Strien gevraagd om een aantal colleges te geven. Het was zijn kans om terug te keren in de keltologie, en tot 2007 werkte hij als docent Keltisch. En niet zonder verdienste: de sluiting van de opleiding ging niet door,[5] de studenten waren tevreden, en toen de opleiding opnieuw gevisiteerd werd waren de resultaten lovend. Keltisch was gered en er trad een nieuwe hoogleraar aan, Peter Schrijver.[6]

Toch waren het zware jaren. Toen Van Strien in 2003 ook met pensioen ging was er geen vaste staf meer bij Keltisch. De leerstoel was nog leeg en ondanks het inspringen van o.a. Anders Ahlqvist (Galway), Rijcklof Hofman en Lauran Toorians, die enkele cursussen gaven, en Erik Kooper van Engels, die als interim-opleidingshoofd optrad, waren het toch vooral de tijdelijke docenten Bart Jaski en Ranke de Vries die de opleiding draaiende moesten houden. Ze gaven het leeuwendeel van het onderwijs, verzorgden het tutoraat en moesten ook administratieve taken verrichten – en dat júist in de tijd dat de oude doctoraal werd losgelaten en de opleiding moest worden omgebouwd naar het tweeledige Bachelor-Master-model. “Dat was best heftig. In feite doe je dingen die normaal gesproken een professor zou doen.”

Ondertussen wilde hij ook gewoon nog blijven publiceren, “met het idee dat straks, aan het eind van de rit, als er misschien banen te vergeven zijn, dat dat dan ook in orde moet zijn.” Het leverde een herkenbaar tweespalt op: waar geef je de meeste aandacht aan? Aan je colleges en dus aan je studenten, “of ga je meer voor je eigen CV? Daar kom je bijna niet uit.”

Eind 2006 was het echter inderdaad zover: solliciteren op je eigen baan, maar dan voor een vaste aanstelling. Dat was moeilijk, ook omdat Jaski inmiddels tegen een burn-out aanzat. Hij was de enige historicus tussen taalkundigen: de opleiding was met de komst van Schrijver blijvend veranderd. De nadruk lag nu op de talen, met de komst van een Welsh en een Iers jaar, en vakken als Iers recht verdwenen. Achteraf werd hem ook gezegd: “eigenlijk had je geen kans gemaakt.” Jaski kende geen Welsh en had meer een working knowledge van het Oudiers. “Een eerstejaarscollege Oudiers geven, dat was aan mij niet besteed ... Dat wist ik, dat wist hij ook, dat wist iedereen in feite en daarin schoot ik echt duidelijk tekort.”

Een vaste aanstelling ging aan hem voorbij, alsmede een tweede aanstelling die werd vergeven. “Dat was een zware slag. Ook voor mijn vrouw.” Zijn jongste dochter werd in februari 2007 geboren, “precies de maand waarin ik mijn laatste colleges gaf.” Nu, jaren later, kan hij het relativeren: het was een harde beslissing, maar Schrijver moest voor zijn opleiding kiezen. Toch klinkt er, terugkijkend, tijdens het interview nog wel iets door van de wanhoop van dat moment, en het “en wat nu?”.

Conservator handschriften

Er braken lichtere dagen aan: “In zekere zin is het feit dat het bij Keltisch niet gelukt is, een geluk bij een ongeluk geweest uiteindelijk voor mij.” De dag voor Oudjaar 2006 kwam hij haast per ongeluk de advertentie voor conservator bij de Universiteitsbibliotheek tegen. Niets te verliezen. Toch nog even ’s avonds een brief in elkaar gezet. En toen werd hij uitgenodigd op gesprek. Het bleek dat ze niet op zoek waren naar een traditionele conservator, een paleograaf die bovenop de collectie ging zitten. Ze zochten juist iemand die kon netwerken, die thuis was in de digitale wereld en die de collectie naar buiten kon brengen – in de moderne tijd. En zo kwam het ineens allemaal samen. Jaski had ervaring met digitalisatie, niet alleen vanuit het CURIA-project, maar ook als docent Keltisch had hij een database van de microfilms en facsimile’s van Keltisch gemaakt, inclusief linkjes naar ISOS (Irish Script on Screen),[7] én hij had van tijd tot tijd succesvol subsidies weten aan te vragen. Zelfs de jaren bij het Nationaal Archief kwamen plots van pas. “Het had zo moeten zijn.” En zo kon Jaski gelijk na zijn vertrek bij Keltisch door als conservator handschriften, zijn eerste vaste baan.

Als conservator beheert hij nu een stuk of 700 middeleeuwse en een paar duizend moderne handschriften. Voor Nederlandse begrippen is dit een grote collectie; qua middeleeuwse handschriften heeft alleen Leiden er meer. Samen met het beroemde topstuk, het Utrechts Psalter,[8] die het geheel van uitstraling voorziet, is het echter ook een internationaal aansprekende verzameling. Naast zelf actief naar buiten te treden door informatie online beschikbaar te maken, lezingen te geven en tentoonstellingen op te zetten, wordt Jaski ook geregeld benaderd door mensen die vragen hebben over de collectie. “Van Amerika tot Japan en vanuit heel Europa corresponderen er mensen met mij, of komen hier in de leeszaal over de vloer, omdat ze de handschriften in willen zien.” Het is een heel diverse baan: “Soms zit ik in Griekse en Koptische papyri uit een paar eeuwen na Christus te kijken en dan zit ik weer bij hoogleraarsarchieven van Utrechtse professoren. En dan is het weer de collectie van de eerste Utrechtse professor Oosterse Talen uit de achttiende eeuw waar ik me mee bezig houd. En dan zijn het weer middeleeuwse handschriften.” Eigenlijk sluit het perfect aan op de brede interesse die hem al vanaf zijn begindagen in Groningen kenmerkte.

Er valt ook nog ontzettend veel te ontdekken in de collectie. Eén van zijn meest bijzondere vondsten betrof het Utrechts Psalter zelf. “Ik kwam een keer in de British Library een handschrift tegen in de tentoonstelling daar, waarvan ik zag dat het geschreven moest zijn door dezelfde scribent die ook aan het Utrechts Psalter had meegewerkt. Dus ik had het zusterhandschrift van het Utrechts Psalter te pakken en niemand had dat zich ooit gerealiseerd.” Ondanks dat Jaski niet als traditionele conservator op de collectie zat, is hij toch dusdanig met de handschriften bekend dat hij deze hand zo kon herkennen. “Ik zag de letters en dacht, verrek … Dat was voor mij wel een soort eureka.”

Een andere ontdekking, gedaan door studenten die met de collectie in aanraking kwamen, betrof een handschriftfragment met daarop een nog onbekende tekst van Geert Grote (1340-1384), de grondlegger van de Moderne Devotie. En toevallig was nu juist Rijcklof Hofman, eveneens (oud-)keltoloog, op dat moment bezig met de standaardeditie van de werken van Geert Grote. “Dat legt dan hele korte lijntjes, en dat is dan ook wel heel erg leuk. We zijn allebei geen keltoloog meer, om het maar zo te zeggen, maar dat soort dingen brengt je dan toch weer bij elkaar.” In het algemeen zijn het ook juist deze fragmentarische handschriften, die vaak ondanks hun onvolledige staat veel te zeggen hebben over de geschiedenis van teksten, die Jaski de leukste ontdekkingen als conservator noemt.

Nog altijd betrokken

Afsluitend stelt hij, terugblikkend op de jaren, dat hij altijd zijn hart gevolgd heeft: “Ik weet niet of dat een verstandige keuze is geweest, maar … datgene wat je passie is, daar ga je achteraan. En aan de ene kant heeft me dat niet bij Keltisch gebracht, maar het heeft me wel weer hier gebracht.”

En ook al is Jaski tegenwoordig inderdaad niet meer dagelijks actief als keltoloog, het houdt hem duidelijk nog steeds bezig. Zo doet hij zo nu en dan in de avonduurtjes nog steeds onderzoek – op dit moment werkt hij aan een artikel over het Boek van Dimma en geeft hij ook nog steeds lezingen, zoals toen hij gevraagd werd om bij de viering van duizend jaar na de Slag bij Clontarf, in 2014, te spreken. En niet te vergeten: hij is natuurlijk ook nog altijd actief binnen de redactie van Kelten, waarin geregeld publicaties van zijn hand verschijnen. Eerder is hij zelfs ook nog bestuurslid en van 1997 tot 2004 voorzitter van de Stichting geweest.

Al met al is Jaski dus ondanks, of misschien juist wel dankzij, een bewogen loopbaan nog altijd nauw betrokken bij het vakgebied. En naarmate we afstevenen op het kroonjaar 100 jaar Keltisch in Nederland, in 2023, waar hij ook juist als conservator een bijdrage aan zal leveren, zullen we vermoedelijk alleen nog maar meer van hem gaan horen.

Eindnoten

Engels: The Twilight of the Grey Gods, of: The Grey God Passes.
Een bewerkte versie is gepubliceerd als ‘The Vikings and the kingship of Tara’, Peritia 9 (1995), 310-351.
Meer lezen? We verwijzen u graag naar ons interview met Leni van Strien-Gerritsen in Kelten 80, waarin we uitgebreid stilstaan bij de succesvolle strijd om de opleiding Keltisch te behouden.
Eerder dit jaar blikte Peter Schrijver in de 'Staat van de opleiding' terug op zijn tijd als hoogleraar Keltisch tot nu toe; u leest het hier in Kelten 79.

Vorige bijdrage
Identiteit, gender, glazen armbanden en kaneel: het Keltisch Colloquium 2019
Lian Blasse
4 november 2019
Volgende bijdrage
Nieuws en mededelingen Kelten 81
Lian Blasse
7 oktober 2019